Europees Hof voor de Rechten van de Mens
39061/11
(Thimothawes t. België) Geen schending artikel 5 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid) – systematische detentie van asielzoeker aan de grens – kwetsbaarheid – psychologische opvolging – afwijkende opinies

In dit arrest concludeert het EHRM dat België het EVRM niet geschonden heeft. Een verzoeker die in een gesloten centrum werd vastgehouden, riep in dat België geen rekening had gehouden met zijn mentale gezondheidstoestand in hun beslissing om hem op te sluiten.

 

Feiten: Detentie van Egyptische asielzoeker aan de grens gedurende 5 maanden

 

De verzoeker is een Egyptenaar die in februari 2011 via Turkije in de luchthaven van Zaventem aankwam waar hij asiel heeft aangevraagd. De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) nam een beslissing tot weigering van binnenkomst met vasthouding in een gesloten centrum.

 

De asielaanvraag werd nadien geweigerd omdat zijn verhaal als ongeloofwaardig werd beschouwd. Dhr. Thimothawes heeft vergeefs drie procedures (voor de raadkamer, in beroep voor de kamer van inbeschuldigingstelling (KI) en het Hof van Cassatie) ingediend om zijn detentie aan te vechten. Na de maximale termijn van vijf maanden (in het centrum 127 van Melsbroek en nadien in Brugge) is hij in juli 2011 vrijgelaten. Voor het Europees Hof voor de rechten van de mens beweert de verzoeker dat de Belgische overheid geen rekening met zijn mentale gezondheid heeft gehouden en dat zijn detentie artikel 5 van het EVRM heeft geschonden.

 

Beperkte controle door het EHRM van de toepassing van het EU recht door de Belgische overheid

 

Het EHRM herhaalt zijn rechtspraak over de detentie van asielzoekers. Irreguliere binnenkomst voorkomen of een lopende verwijderingsprocedure volstaat om de detentie op basis van artikel 5 §1 f) van het EVRM te rechtvaardigen. De overheid moet bv. geen gevaar voor de openbare orde of risico op onderduiken aantonen om een detentiebeslissing te nemen. Artikel 5§1 f) bevat geen noodzakelijkheidsvoorwaarde. De toenmalige Belgische wet ook niet. Maar de verplichting om de nood van de detentie te evalueren was wel voorzien in het Unierecht, met name artikel 7§3 van de opvangrichtlijn (toen 2003/9), die directe werking in België heeft. Volgens de verzoeker werd hij automatisch opgesloten zonder evaluatie van zijn persoonlijke situatie, wat een schending van de opvangrichtlijn is.

 

Het EHRM herhaalt dat detentie willekeurig is en artikel 5§1 van het EVRM schendt als ze niet conform het interne recht genomen is, en ook niet conform het EU recht dat van toepassing in de betrokken staat. Toch beslissen de rechters van Straatsburg dat ze de al dan niet correcte omzetting van de opvangrichtlijn door België niet moeten controleren. Het is de taak van de nationale rechters om het interne recht in overeenstemming met het EU recht te interpreteren. Het EHRM toetst enkel de effecten van die interpretatie met het EVRM (§71).

 

Stereotype detentiebeslissingen maar toch geen schending van artikel 5 van het EVRM volgens vijf rechters op zeven

 

Op basis van talrijke arresten (zie § 73) herhaalt het EHRM dat de automatische detentie van asielzoekers problematisch kan worden in het licht van artikel 5§1 f) van het EVRM.[1]Het EHRM merkt op dat de detentiebeslissingen zeer beknopt en gestereotypeerd zijn en geen enkel element over de persoonlijke situatie van de verzoeker bevatten. Daarmee kon de verzoeker niet begrijpen welke concrete redenen zijn detentie konden rechtvaardigen[2]. Toch beslissen vijf op de zeven rechters (waaronder Belgische rechter Paul Lemmens) dat de detentie van Dhr. Thimothawes geen schending van artikel 5 EVRM uitmaakt. Deze beoordeling berust op o. a. de volgende omstandigheden: de raadkamer en de KI konden een legaliteitscontrole op de gestereotypeerde detentiebeslissingen uitoefenen, de verzoeker heeft zijn gezondheidsproblemen pas 2 maanden na zijn aankomst ingeroepen, de verzoeker heeft niet prima facie aangetoond dat zijn geestesgezondheid de detentie onrechtvaardig maakte, hij heeft psychologische ondersteuning in beide gesloten centra gekregen en de rapporten opgesteld door die diensten stellen geen beletsel aan de detentie vast. 

 

Volgens het EHRM was de duur van de detentie (5 maanden) niet onredelijk lang, rekening houdend met de verschillende procedures (terugdrijving naar Turkije, terugkeer naar Egypte en de behandeling van twee asielaanvragen).

 

In een afwijkende opinie leggen twee rechters (Karakas, voorzitter, en Turkovic) uit waarom de detentie van dhr. Thimothawes volgens hen wel artikel 5 schendt: geen enkele evaluatie van zijn kwetsbaarheid en geen alternatieve maatregelen tot detentie zijn overwogen door de Belgische overheid in tegenstelling tot wat door veel arresten van het Hof vereist wordt.




[1] Systematische detentie van migranten of asielzoekers schendt ook artikel 9 van het BUPO Verdrag, zoals geïnterpreteerd door het Mensenrechtencomité van de VN, dat momenteel een ruimere bescherming biedt dan artikel 5 §1 f) van het EVRM zoals geïnterpreteerd door de Grote kamer van het EHRM (zie in dat verband de interessante eensluidende opinie van rechter Lemmens na het arrest).

[2] Een dergelijk gebrek aan motivering volstaat in principe om een schending van artikel 5§2 van het EVRM vast te stellen. Blijkbaar is deze bepaling niet ingeroepen door de verzoeker in deze zaak (het arrest verwijst enkel naar art. 5§1 f).