Europees Hof voor de Rechten van de Mens
60119/12
(Z.H. en R.H. t. Zwitserland) Art. 8 EVRM – uitwijzing naar Italië - religieus huwelijk – Iran – 14 jaar - weigering tot erkenning – Iran – openbare orde – geen schending

In een arrest van 8 december 2015 boog het EHRM zich over een zaak van een jong Afghaans koppel, waarvan Zwitserland het huwelijk dat het meisje op 14-jarige leeftijd was aangegaan niet erkende. Door de niet erkenning van dit huwelijk werden ze niet als een gezinseenheid gezien en werden hun asielaanvragen afzonderlijk behandeld. Voor de jongen betekende dit dat hij terug moest naar Italië, terwijl het meisje nog in Zwitserland was. Het EHRM erkende het recht van Zwitserland om dit huwelijk niet te erkennen, maar ging jammer genoeg niet dieper in op het feit of de relatie tussen de jongen en het meisje als een familierelatie moest worden aanzien.

 

Feiten: asielaanvraag van jong Afghaans koppel wordt niet samen behandeld

 

Z.H. en R.H., twee Afghaanse jongeren geboren in 1992 en 1996 vroegen in 2011 asiel aan in Zwitserland. In 2010 zouden ze een religieus huwelijk in Iran zijn aangegaan. Op dat ogenblik was het meisje, R.H., slechts 14 jaar. Z.H. was toen 18 jaar.

 

Bij hun asielaanvraag duidden de Zwitserse asielinstanties in overeenstemming met de Dublin II verordening, Italië aan als de verantwoordelijke lidstaat. De verzoekers tekenden hiertegen beroep aan. Hun asielaanvragen werden niet samen behandeld omdat de Zwitserse autoriteiten weigerden het huwelijk te erkennen. Deze weigering kende meerdere rechtvaardigingsgronden:

  1. In Afghanistan is het verboden om te huwen onder de 15 jaar;
  2. Het huwelijk is strijdig met Zwitsers recht aangezien seksuele relaties met kinderen jonger dan 16 jaar een strafbaar misdrijf is in Zwitserland.

 

Doordat het huwelijk niet werd erkend, konden ze zich voor de Zwitserse autoriteiten niet beroepen op hun recht op familieleven. De jongen werd uitgezet naar Italië, maar kwam enkele dagen op irreguliere wijze Zwitserland terug binnen.

 

Het koppel richtte zich in 2013 tot het EHRM voor een schending van artikel 3 en artikel 8 EVRM. Toen het meisje 17 was erkende de rechtbank van eerste aanleg van het Canton te Genève toch het huwelijk. Hun asielaanvraag werd alsnog samen behandeld en in 2015 erkenden de Zwitserse asielinstanties het koppel als vluchteling.  Het jonge koppel besloot hun klacht voor de inbreuk op het recht op een familieleven te behouden voor het EHRM.

 

Zwitserland kon niet verplicht worden het huwelijk te erkennen: geen schending artikel 8 EVRM

 

Het EHRM stelde dat het in deze zaak niet alleen ging over het recht op familieleven, maar ook over immigratie in de brede zin. Het EHRM herhaalde zijn vaste rechtspraak dat artikel 8 EVRM geen algemene verplichting inhoudt voor een staat om aan vreemdelingen, waarvan ze hun aanwezigheid in afwachting van een definitieve beslissing in hun procedure tolereert, een recht op gezinsleven toe te staan omdat zij er zelf voor kiezen in dezelfde staat te verblijven.[1] Toch kan er soms een positieve verplichting bestaan voor een staat om een toelating tot verblijf te geven om het recht op gezinsleven te handhaven en te ontwikkelen. Of er al dan niet zo’n positieve verplichting bestaat, hangt af van de bijzondere omstandigheden van de betrokken vreemdeling(en), en van het algemeen belang van de staat (de ‘fair balance’-toets). In deze zaak concludeerde het EHRM dat Zwitserland een correcte afweging had gemaakt tussen het de persoonlijke belangen van de asielzoekers om hun recht op familieleven uit te oefenen, en de belangen van Zwitserland om immigratie te controleren.

 

Het EHRM oordeelde dat artikel 8 EVRM niet inhoudt dat een lidstaat een huwelijk, religieus of anders, van een 14 jarig kind moet erkennen. Het verwees daarbij naar artikel 12 EVRM, dat het recht om te huwen neerschrijft. Dit artikel zegt uitdrukkelijk dat het huwelijk bij nationale wet wordt geregeld. De Zwitserse rechtbanken moesten zich uitspreken over een moreel zeer gevoelige zaak, waarbij ze het belang van de bescherming van kinderen en een veilige familieomgeving in acht moest nemen. Gelet op die gevoeligheden merkte het EHRM op dat de nationale rechtbanken het best geplaatst waren zich daarover uit te spreken.

 

Het EHRM stelde dat Zwitserland op dat ogenblik met reden de erkenning van het huwelijk mocht weigeren. Het EHRM onderzocht echter niet verder of de verzoekers een de facto familieleven hadden. Het enige wat het daarover zei is dat zelfs in het geval er sprake was geweest van een familieleven, de jongen na drie dagen terug was gekomen naar Zwitserland en daar de facto werd getolereerd. In een concurring opinion ging rechter Nicalaou hier wel dieper op in. Hij volgde het EHRM in zijn beslissing dat er geen schending was van artikel 8 EVRM, maar hij benadrukte dat de notie ‘familieleven’ onder artikel 8 EVRM een autonoom begrip is met een ruime draagwijdte. Volgens hem was er wel degelijk sprake van ‘familieleven’ in de zin van artikel 8 EVRM. Hij meende dat de Zwitserse autoriteiten de echte betekenis en draagwijdte van dat begrip niet waren nagegaan. Hoewel de Zwitserse autoriteiten de erkenning van een buitenlands huwelijk mochten weigeren omwille van redenen van openbare orde, stelde hen dit niet vrij om te onderzoeken of er een de facto relatie bestond tussen de verzoekers, dat kon worden beschouwd als een familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Van een schending van artikel 8 EVRM kon er volgens hem geen sprake zijn, aangezien het koppel ook samen naar Italië, de verantwoordelijke lidstaat had kunnen gaan. De kernvraag was de scheiding van het koppel, maar gezien de korte duur van die schending werd artikel 8 EVRM hier niet op de helling gezet.




[1] EHRM, 3 oktober 2014, nr. 12738/10, Jeunesse tegen Nederland.