Europees Hof voor de Rechten van de Mens
47287/15
(Ilias en Ahmed t. Hongarije) Schending artikel 3 EVRM – verbod van foltering en onmenselijke en vernederende behandeling – verwijdering naar Servië – risico op ketting-refoulement – Schending artikel 5 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid) – illegale detentie in de transitzone

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeelt Hongarije onder meer voor een schending van het verbod op vernederende en onmenselijke behandeling door asielzoekers terug te sturen naar Servië, waardoor er een reëel risico op ketting-refoulement is.

 

Feiten

 

Twee mannen uit Bangladesh vroegen in september 2015 asiel aan in Hongarije, na een reis via Pakistan, Iran, Griekenland, Macedonië en Servië. Ze brachten meer dan drie weken door in de transitzone met de Servische grens, alvorens Hongarije hen terugstuurde naar Servië. Ze konden die transitzone enkel verlaten richting Servië, en het Hongaarse grondgebied dus niet betreden. De Hongaarse autoriteiten stuurden hen terug naar Servië op basis van een overheidsakte die Servië als een veilig derde land beschouwd.

 

Het EHRM veroordeelt Hongarije voor de schending van artikel 5 §§ 1 en 4 wegens de onwettige detentie in de transitzone, het gebrek aan een daadwerkelijk rechtsmiddel om detentieomstandigheden aan te vechten en een schending van artikel 3 EVRM (verbod op onmenselijke en vernederende behandeling) voor de verwijdering naar Servië. De detentieomstandigheden zelf vindt het EHRM niet strijdig met artikel 3 EVRM.

 

Detentie in de transitzone is onwettig

 

Bij aankomst in Hongarije mochten de verzoekers het Hongaarse grondgebied niet betreden maar moesten zij in de transitzone verblijven. De Hongaarse overheid oordeelt dat het niet om detentie gaat aangezien de verzoekers vrij waren de transitzone richting Servië te verlaten. Het EHRM is het hier niet mee eens. Het stelt dat de notie vrijheidsberoving zowel een objectief als een subjectief element bevat. Het objectieve element houdt in dat een persoon wordt vastgehouden in een bepaalde ruimte voor een zekere tijd. Het subjectieve element betekent dat de persoon niet heeft ingestemd met die vasthouding. Hierbij moet rekening gehouden worden met het type, de duur, de gevolgen, de wijze waarop de maatregel wordt uitgevoerd, de mogelijkheid om de ruimte te verlaten en de vormen van controle over de persoon zijn bewegingen.

 

Het EHRM oordeelt dat de verzoekers de transitzone richting Servië niet konden verlaten zonder dat dit ongewenste en ernstige gevolgen zou hebben op hun asielaanvraag en zonder het risico op refoulement uit te sluiten. De autoriteiten hielden hen dus de facto vast in de transitzone.

 

Omdat deze vasthouding geen wettelijke basis had, veroordeelt het EHRM Hongarije voor een schending van artikel 5 §1 EVRM. Opgesloten personen in detentie moeten bovendien over een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikken om de wettigheid van de detentie te laten beoordelen. Maar omdat de verzoekers geen formele beslissing hadden gekregen over de redenen van hun detentie, beschikten zij ook niet over een daadwerkelijk rechtsmiddel om de detentie aan te vechten. Dit schendt artikel 5 § 4.

 

Verwijdering naar Servië schendt artikel 3 EVRM (verbod op onmenselijke en vernederende behandeling) wegens risico op kettingrefoulement

 

De verzoekers stelden dat hun verwijdering naar Servië, onder gebrekkige procedurele waarborgen, hen bloot stelde aan een reëel risico op kettingrefoulement in strijd met artikel 3 EVRM.

 

Het EHRM stelt vast dat de verzoekers teruggestuurd waren naar Servië op basis van een overheidsakte die Servië als ‘een veilig derde land’ bestempeld. Dit creëert een vermoeden dat Servië veilig is en asielaanvragen in overeenstemming met het VN-Vluchtelingenverdrag behandelt. Hierdoor lag er een zwaardere bewijslast op de verzoekers om aan te tonen dat hun verwijdering naar Servië, een kettingrefoulement naar Macedonië en Griekenland zou betekenen. De Hongaarse autoriteiten onderzochten dit risico voor de individuele verzoekers niet voldoende, noch namen ze de argumenten die de advocaat aanbracht in overweging.

Het EHRM kan zich niet uitspreken over versnelde procedures voor asielzoekers uit veilige landen, aangezien het gaat om implementatie van EU-wetgeving (Procedurerichtlijn 2013/32/EU).

 

Maar het EHRM stelt wel vast dat tot juli 2015 de Hongaarse overheid geen asielzoekers terugstuurde naar Servië wegens het gebrekkige asielsysteem.  Ondanks het feit dat de overheid in september 2015 Servië opnam als een veilig derde land, stelt het EHRM op basis van rapporten van het VN-Vluchtelingenagentschap (UNHCR) en de European Council for Refugees and Exciles (ECRE) vast dat de situatie in Servië nauwelijks verbeterde. Het EHRM oordeelt dat er nog steeds een risico is dat de Servische autoriteiten de verzoekers zouden terugsturen naar Griekenland. Op het ogenblik van de feiten betekende dit nog steeds een schending van artikel 3 EVRM.

 

Het EHRM oordeelt niet dat er systematisch risico is op vernederende en onmenselijke behandeling in de bovenvermelde landen, maar meent wel dat de Hongaarse procedure onvoldoende waarborgen (verkeerde tolk, enkel schriftelijke informatie aan ongeletterde verzoekers,…) biedt om bescherming te krijgen tegen dit reëel risico. Artikel 3 EVRM is dan ook geschonden