Hof van Justitie
C-544/15
(Sahar Fahimian t. Bundesrepublik Deutschland) Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid – Richtlijn 2004/114/EG – Artikel 6, lid 1, onder d) – Voorwaarden voor de toelating van derdelanders – Weigering van toelating – Begrip ‚bedreiging voor de openbare veiligheid’ – Beoordelingsmarge

De Iraanse verzoekster in deze zaak had een masterdiploma op het gebied van informatietechnologie behaald aan de technische universiteit Sharif (SUT) in Iran en was toegelaten om aan de technische universiteit van Darmstadt in Duitsland promotieonderzoek te verrichten met betrekking op vraagstukken variërend van “de beveiliging van mobiele systemen, in het bijzonder inbraakdetectiesystemen voor smartphones, tot beveiligingsprotocollen”.

 

De visumaanvraag van verzoekster werd echter door de Duitse autoriteiten afgewezen omdat de vrees bestond dat de kennis die verzoekster zou verwerven in het kader van haar verblijf voor studiedoeleinden, vervolgens in haar land van herkomst zou worden misbruikt. Volgens deze autoriteiten ontwikkelt de Iraanse regering sinds lange tijd een omvangrijk cyberprogramma waarmee deze regering toegang tracht te krijgen tot vertrouwelijke informatie in westerse landen. Bovendien wordt volgens deze autoriteiten algemeen het belang aanvaard van de betrokkenheid van de SUT bij het onderzoek voor militaire doeleinden in Iran en werd deze universiteit door de Europese Unie opgenomen op een lijst van entiteiten ten aanzien waarvan beperkende maatregelen zijn genomen. In dit verband wijzen ze erop dat niet kan worden uitgesloten dat verzoekster ook na het behalen van haar einddiploma aan de SUT nog banden houdt met personen binnen deze universiteit.

 

De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie of op grond van artikel 6, lid 1, onder d), van richtlijn 2004/114[1] de bevoegde nationale autoriteiten waarbij een visum voor studiedoeleinden wordt aangevraagd, bij de beoordeling of de verzoeker een bedreiging voor de openbare veiligheid vormt over een ruime beoordelingsmarge beschikken en of deze autoriteiten in omstandigheden als in het hoofdgeding een visum mogen weigeren.

 

In de eerste plaats merkt het Hof op dat volgens artikel 5 van de richtlijn toelating van een derdelander tot het grondgebied van een lidstaat alleen mogelijk is als na controle van diens dossier blijkt dat hij voldoet aan de algemene voorwaarden van artikel 6 van de richtlijn en, in het geval van een verzoek om te worden toegelaten voor studiedoeleinden, aan de specifieke voorwaarden van artikel 7 van die richtlijn. In dit verband moeten de lidstaten in het bijzonder nagaan of er sprake is van redenen in verband een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid die de weigering om een derdelander toe te laten kunnen rechtvaardigen.

 

In de tweede plaats merkt het Hof op dat richtlijn 2004/114 beoogt de mobiliteit van derdelanders die voor studiedoeleinden naar de Unie willen komen te bevorderen en dat die mobiliteit past in het streven om van Europa een wereldcentrum voor onderwijs en beroepsopleiding van topkwaliteit te maken. Bijgevolg kan een lidstaat geen extra voorwaarden invoeren boven op de voorwaarden van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 2004/114.

 

Wel beschikken de bevoegde nationale autoriteiten volgens het Hof over een beoordelingsmarge met betrekking tot de vraag of de voorwaarden van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 2004/114 zijn vervuld.

 

Het Hof herinnert eraan dat het begrip “openbare veiligheid” zowel de interne als de externe veiligheid van een lidstaat dekt. Verder blijkt uit artikel 6, lid 1, onder d), van richtlijn 2004/114, gelezen in het licht van overweging 14 van deze richtlijn, dat de toelating van een derdelander kan worden geweigerd indien de nationale autoriteiten tot het oordeel zijn gekomen dat de betrokken derdelander een – al was het maar “potentiële” – bedreiging vormt voor een beoordeling van de openbare veiligheid. In dit verband mogen de bevoegde nationale autoriteiten alle bewijzen verlangen die nodig zijn om aan te tonen dat de toelatingsaanvraag coherent is.

 

Het Hof verduidelijkt ook dat, gelet op de ruime beoordelingsmarge van de bevoegde autoriteiten, de rechterlijke controle zich beperkt tot de vraag of er geen sprake is van kennelijke onjuistheden en tot de inachtneming van bepaalde procedurele waarborgen, waaronder de motiveringsplicht.

 

In casu moet de rechter dus in het bijzonder rekening houden met het feit dat verzoekster een diploma heeft behaald aan een universiteit die opgenomen was en blijft op de lijst van entiteiten ten aanzien waarvan beperkende maatregelen zijn genomen en het feit dat het onderzoek dat deze persoon voornemens is in Duitsland te verrichten in het kader van haar promotie, betrekking heeft op het gevoelige gebied van de beveiliging van informatietechnologieën. Deze rechter moet eveneens rekening houden met aanvullende elementen die de vrees rechtvaardigen dat de kennis die verzoekster in Duitsland zal verwerven, later zou kunnen worden misbruikt voor doelen die in strijd zijn met de bescherming van de openbare veiligheid.




[1] Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk (PB 2004, L 375, blz. 12).