Hof van Justitie
C-257/17
(C, A t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) Prejudiciële verwijzing – Bevoegdheid van het Hof – Richtlijn 2003/86/EG – Recht op gezinshereniging – Artikel 15 – Weigering om een autonome verblijfstitel te verlenen – Nationale regeling op grond waarvan een inburgeringsexamen moet worden behaald

In C.A. t. Staatssecretaris van Veiligheid van Justitie werden eveneens vragen gesteld over de interpretatie en toepassing van richtlijn 2003/86. De vraag over de bevoegdheid van het Hof die in K.B. werd beantwoord is op dezelfde wijze naar voren gebracht, besproken en afgehandeld als in het arrest K.B.. Inhoudelijk ging de zaak over de vraag of artikel 15(1)(4) van richtlijn 2003/86 op grond waarvan familieleden van een derdelander na 5 jaar recht hebben op een autonome verblijfstitel zich verzet tegen de oplegging van een integratievereiste opleggen alvorens deze verblijfstitel wordt toegekend. Het Hof antwoordde dat de richtlijn de lidstaten in de gelegenheid stelt om de toekenning van een autonoom verblijfsrecht afhankelijk te stellen van procedurele en inhoudelijke vereisten, waaronder het vereiste om te integreren. Het nuttig effect van de richtlijn mag echter niet ondermijnd worden. Dit betekent dat de integratievereiste concreet en voorzienbaar moet zijn en niet verder mag gaan dan nodig is om het doel van integratie te bereiken. De verlening van een autonome verblijfstitel mag daarom niet afhankelijk gemaakt worden van het slagen voor een integratieniveau wanneer blijkt dat de betrokkene hier niet aan kan voldoen in verband met omstandigheden als leeftijd, opleidingsniveau, financiële situatie of gezondheidstoestand van de betrokken gezinsleden of van de gezinshereniger. Als laatste overwoog het Hof dat artikel 15(1)(4) van richtlijn 2003/86 er niet aan in de weg staat dat de autonome verblijfstitel pas wordt verstrekt met ingang van de datum van indiening van de aanvraag daartoe.