Hof van Justitie
C-483/17
(Neculai Tarola t. Minister for Social Protection) Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Vrij verkeer van personen – Richtlijn 2004/38/EG – Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten – Artikel 7, lid 1, onder a), Werknemers en zelfstandigen – Artikel 7, lid 3, onder c) – Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden – Onderdaan van een lidstaat die in een andere lidstaat werknemer is geweest gedurende een periode van veertien dagen – Onvrijwillige werkloosheid – Behoud van de hoedanigheid van werknemer gedurende ten minste zes maanden – Recht op een uitkering voor werkzoekenden (jobseeker’s allowance)

Op 14 maart 2019 deed het Hof uitspraak in de zaak Neculai Tarola t. Minister for Social Protection betreffende de weigering van een sociale bijstandsuitkering aangevraagd door een Roemeense onderdaan in Ierland. De Ierse bevoegde instantie was van oordeel dat de betrokkene geen gewone verblijfsplaats heeft in Ierland, waardoor hij bijgevolg geen aanspraak kon maken op een uitkering voor werkzoekenden. Het feit dat hij voor twee weken gewerkt heeft in Ierland verandert het oordeel van de Ierse bevoegde instantie niet. De vraag voor het Hof is of de EU-burger, die na de eerste twaalf maanden zijn recht van vrij verkeer te hebben uitgeoefend, het gastland binnenkomt en twee weken betaald werk verricht, maar onvrijwillig werkloos wordt, de status van werknemer kan behouden om in die hoedanigheid aanspraak te kunnen maken op sociale bijstandsuitkeringen zoals een staatsburger van de gastlidstaat.

 

Vooreerst verwijst het Hof naar de doelstelling van Richtlijn 2004/38 om de prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden, namelijk het vergemakkelijken en het versterken van het vrij verkeer van personen zoals vastgelegd in art. 21 VWEU. Vervolgens kijkt het Hof naar de specifieke bewoording van art. 7, lid 3, onder c), Richtlijn 2004/38. In het bijzonder moet het Hof nagaan of de betrokkene kan vallen onder de bewoording dat hij “(…)in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos is geworden”. Aangezien de bewoording van de bepaling alleen ontoereikend is om tot een antwoord te komen, komt het Hof tot een antwoord rekening houdend met de eenvormige toepassing van het EU-recht, de context en de doelstellingen van de regeling en het nuttig effect van de regeling. Gelet op het doel van art. 7, lid 3, Richtlijn 2004/38, moet de bepaling van toepassing zijn op alle situaties waarin een werknemer om redenen buiten zijn wil gedwongen is om zijn activiteit in het gastland te beëindigen voor een jaar voorbij is. Het Hof weerlegt bovendien dat deze redenering afbreuk doet aan de garantie dat de sociale bijstandsstelsels van de gastlanden niet onredelijk worden belast. De EU-burgers die aanspraak kunnen maken op art. 7, lid 3, onder c), Richtlijn 2004/38 moeten immers de status van werknemer hebben voor de onvrijwillige werkloosheid enerzijds en zij moeten zich inschrijven als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorzieningen.

 

Het Hof komt dus tot de conclusie dat een EU-burger die gebruik gemaakt heeft van zijn recht van vrij verkeer en die overeenkomstig art. 7, lid 1, onder a), Richtlijn 2004/38 de status van werknemer heeft ontvangen door een tewerkstelling van twee weken waarna hij onvrijwillig werkloos werd, de status van werknemer gedurende een bijkomende periode van ten minste zes maanden zal behouden, op voorwaarde dat de betrokkene zich heeft ingeschreven als werkzoekende bij de daarvoor bevoegde instantie. Bijgevolg zal de verwijzende rechter overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling voorzien in art. 24, lid 1, Richtlijn 2004/38 moeten nagaan of hij het recht heeft op een sociale bijstandsuitkering.