4 juni 2019

Op 28 maart 2019 kende de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel 2000 euro morele schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. De behandeling van het schorsings- en annulatieberoep tegen een weigeringsbeslissing regularisatie (artikel 9bis Verblijfswet) bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) sleepte meer dan 3 jaar aan.

Feiten

In juni 2012 kwam een derdelander naar België voor een geplande medische behandeling. Door een medisch ongeval tijdens de ingreep werd de man gedeeltelijk verlamd. Na het verstrijken van het visum bleef de man met zijn gezin in België en vroegen zij een regularisatie om medische redenen (artikel 9ter Verblijfswet). De aanvraag werd afgewezen en de beslissing werd in beroep bevestigd. De humanitaire regularisatie (artikel 9bis Verblijfswet) die zij daarna indienden werd ook afgewezen. Tegen deze beslissing gingen zij in beroep bij de RvV. Toen de zaak meer dan 3 jaar en 9 maanden aansleepte, stapten zij naar de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel en vroegen zij een morele schadevergoeding van 10.000 euro wegens schending van de behandeling van hun beroep binnen een redelijke termijn.

Analyse

De rechtbank stelt vast dat de wet geen termijn voorziet waarbinnen het beroep tegen een weigering 9bis of 9ter behandeld moet worden, maar dat een publieke autoriteit als de RvV toch gehouden is om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen. Een redelijke termijn is een algemeen rechtsbeginsel waarbij de beoordeling een feitenkwestie is die afhangt van de aard van de zaak (complexiteit, urgentie, …), het gedrag van de verzoeker en van de instelling.

De Belgische staat stelt dat de RvV in 2012 geconfronteerd werd met een sterke stijging van het aantal beroepen en dat zij een reeks maatregelen genomen heeft om de werklast van de RvV te verminderen zoals:

  • verhoging van het kader magistraten en griffiers
  • verbetering van de werkvoorwaarden bij de RvV
  • vereenvoudiging in de behandeling van parallelle beroepen bij regularisatieprocedures

De rechtbank wijst erop dat de betrokkenen hun beroep hebben ingediend op 7 augustus 2014 en dat ondanks de genomen maatregelen er meer dan drie jaar later nog steeds geen uitspraak is (bij de dagvaarding van de zaak op 15 mei 2018 was het beroep bij de RvV meer dan 3 jaar en 9 maanden hangende). Op basis van deze omstandigheden oordeelt de rechter dat de beroepsprocedure onredelijk lang is.

De rechter veroordeelt de Belgische staat daarom tot het betalen van 2000 euro morele schadevergoeding ter compensatie van de onzekerheid en de stress die een dergelijk lange procedure met zich meebrengt.

Gevolgen voor de praktijk?

Er zijn nog dossiers in een gelijkaardige situatie. In het verslag van de ‘contactvergadering internationale bescherming’ van maart 2019 georganiseerd door Myria bevestigt de eerste voorzitter van de RvV dat er in de migratiedossiers nog een zekere achterstand moet weggewerkt worden. De RvV verwacht tegen eind juni 2019 de behandelingstermijn tot 6 maanden te hebben beperkt. De RvV gaf aan in het wegwerken van de achterstand prioriteit te geven aan:

  • het behandelen van de LIFO (last in, first out) binnen een redelijke termijn
  • de medische dossiers 9ter
  • de oudste verzoekschriften

Het vonnis van de rechtbank eerste aanleg Brussel zal misschien navolging krijgen in gelijkaardige dossiers. De argumentatie van de rechter in eerste aanleg over de onredelijk lange termijn en de compensatie van het morele leed met een schadevergoeding kan ook op andere procedures toegepast worden. Maar elk geval zal individueel beoordeeld worden omdat rekening moet gehouden worden met de omstandigheden, de aard van elke zaak en het aandeel van de partijen.