23 mei 2017

Laatst gewijzigd 12 juni 2017

De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kortgeding, bevestigt dat een aanvraag medische regularisatie (artikel 9ter van de Verblijfswet) vanuit een gesloten transitcentrum kan ingediend worden. De Belgische Staat tekende beroep aan.

Feiten

Een Rwandese vrouw diende tijdens haar verblijf in het gesloten transitcentrum ‘Caricole’ een 9ter-aanvraag in. De Belgische Staat nam de aanvraag niet in overweging omdat de vrouw zich door haar verblijf in het gesloten transitcentrum niet op het Belgisch grondgebied zou bevinden. Tegen deze weigering tot inoverwegingname van de 9ter-aanvraag stelde zij beroep in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). Ook vorderde ze voor de Rechtbank van eerste aanleg dringende en voorlopige maatregelen, namelijk:

  • een verbod om een uitwijzingsbeslissing te nemen
  • een verbod om haar te repatriëren totdat de RvV uitspraak doet over het hangende beroep over de 9ter-procedure, op straffe van een dwangsom.

Motivering Rechtbank

Artikel 9ter Verblijfswet (Vw) bepaalt  dat “de in België verblijvende vreemdeling” een 9ter-aanvraag kan indienen. Vroegere rechtspraak van de Raad van State (RvS) en de RvV verduidelijkte al dat een 9ter-aanvraag kan ingediend worden vanuit de transitzone (RvV nr 50.390, 28 oktober 2010 en RvS nr 211.781, 3 maart 2011). De transitzone is volgens deze rechtspraak een puur juridische fictie waarbinnen vreemdelingen dezelfde rechten hebben als de vreemdelingen die zonder wettig verblijf “op” het Belgische grondgebied verblijven. Ook de Rechtbank van eerste aanleg bevestigt dat de transitzone een juridische fictie is en dat de eiseres zich feitelijk wel degelijk op het Belgisch grondgebied bevindt en dus een 9ter-aanvraag kan indienen.

Ook verwijst de kortgedingrechter naar het risico op een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat nog niet onderzocht werd omdat de 9ter-aanvraag niet in overweging werd genomen. Onder meer de toegankelijkheid van de noodzakelijke behandeling in het herkomstland werd niet onderzocht. Op basis hiervan besluit de kortgedingrechter de repatriëring van de betrokkene op te schorten, op straffe van een dwangsom van 10.000 euro.

De Belgische Staat tekende beroep aan.

Uitspraak Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

Op 2 juni 2017 sprak de RvV zich uit over het ingediende beroep tegen de weigering tot inoverwegingname van de 9ter-aanvraag door DVZ in hetzelfde dossier.

De RvV vernietigt de bestreden beslissing.  Ze verwijst naar de bedoeling van de wetgever om via artikel 9ter Vw. praktische invulling te geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3 EVRM. Samen met de vaststelling dat artikel 9ter Vw. geen verdere voorwaarden stelt in verband met de aard van het verblijf in België, leidt de RvV hieruit af dat de vermelding van artikel 9ter Vw. (‘een in België verblijvende vreemdeling’), verwijst naar een feitelijke toestand en niet naar een administratieve situatie. De bijzondere status van de transitzone heeft niet tot gevolg dat deze zone geen deel zou uitmaken van het Belgisch grondgebied.

Het argument van de Belgische Staat dat de betrokkene geschikt werd bevonden om te reizen door een arts veegt de RvV van tafel met een verwijzing naar het Paposhvili-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) : de toetsing in het kader van artikel 3 EVRM en artikel 9ter Vw. is ruimer dan het louter verifiëren of de betrokkene in staat is te reizen. Bovendien geeft het feit dat DVZ een formele beslissing moet nemen over een 9ter-aanvraag ook de garantie dat de betrokkene haar rechtsmiddelen kan laten gelden. Deze mogelijkheid heeft de betrokkene niet door de loutere belofte van DVZ dat de eigenlijke repatriëring pas zal plaatsvinden na onderzoek van het risico op schending van artikel 3 EVRM.