19 maart 2019

In een vonnis van 7 december 2018 veroordeelt de arbeidsrechtbank van Gent, afdeling Ieper, het Federaal Agentschap voor de opvang van Asielzoekers (Fedasil) tot toewijzing van een individuele opvangplaats aan een verzoeker om internationale bescherming die meer dan twee jaar in een collectief opvangcentrum verblijft. De weigering  van Fedasil was volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en onredelijk.

Feiten

Op 15 februari 2016 doet een zestienjarige Afghaan een verzoek om internationale bescherming. Sinds 26 augustus 2016 verblijft hij in hetzelfde collectieve opvangcentrum. Hoewel al twee keer geïnterviewd, ontvangt hij nog geen beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS). Op 18 april 2018 dient hij een aanvraag tot wijziging van de verplichte plaats van inschrijving in bij Fedasil, met de hulp van zijn sociaal assistente. Hierin vraagt hij om een individuele opvangplaats in afwachting van de definitieve beslissing in zijn asielprocedure, onder meer omdat het verblijf in een collectief centrum begint door te wegen. Hij doet beroep op artikel 12 §1 Opvangwet dat voorziet dat een verzoeker die al zes maanden in een collectief centrum verblijft een overplaatsing naar een individuele opvangplaats kan vragen.

Vijf dagen later weigert Fedasil de aanvraag, waarop verzoeker in beroep gaat. Voor de arbeidsrechtbank roept Fedasil volgende argumenten in:

  • artikel 12 §1 Opvangwet houdt geen afdwingbaar recht op een individuele opvangplaats in, de beoordeling behoort tot de discretionaire bevoegdheid van Fedasil .
  • verzoeker slaagt er in zich te integreren vanuit het collectief centrum
  • de psychologische druk van het lange wachten op een beslissing zal niet verminderen in een individuele plaats

Beoordeling arbeidsrechtbank

De motivatie van de beslissing is volgens de arbeidsrechtbank een flagrante inbreuk op artikel 2 en 3 van de Wet inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Fedasil weigert de aanvraag “gezien de elementen in het dossier en rekening houdend met het aantal beschikbare plaatsen”, maar wat die elementen zijn en wat de huidige stand van zaken is in het opvangnetwerk, is niet duidelijk, oordeelt de arbeidsrechtbank. De juridische en feitelijke elementen die aan de basis liggen van de beslissing zijn onmogelijk te achterhalen. De rechter stelt de vraag of Fedasil de aanvraag wel ernstig heeft onderzocht. De beslissing is nietig.

Over de grond van de zaak bevestigt de arbeidsrechtbank dat Fedasil een discretionaire bevoegdheid heeft. De rechter doet slechts een marginale toetsing en gaat na of de beslissing in alle redelijkheid is genomen. Maar Fedasil moet hierbij wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur respecteren. De rechter ziet geen tegenaanwijzingen voor de toewijzing van een individuele opvangplaats:

  • Noch in de beslissing, noch in het verweer legt Fedasil uit waarom een individuele plaats niet geschikt is voor de jongere, en of er al dan niet voldoende plaatsen zijn.
  • Fedasil verklaart ook niet waarom na twee jaar geen toewijzing aan een individuele opvangplaats kan, terwijl verzoeker in het begin van zijn procedure een paar keer een nieuwe collectieve opvangplaats kreeg.
  • In het kader van de lopende procedure voor het CGVS zijn er geen tegenargumenten.
  • Een individuele opvang zal leiden tot meer autonomie.
  • De wetgever voorziet expliciet in deze mogelijkheid.
  • De sociaal assistent is er van overtuigd dat de jongere baat heeft bij de toewijzing

Het verzoek is daarom gegrond.

Gevolgen?

Tenzij het CGVS in tussentijd een negatieve beslissing neemt, moet Fedasil binnen de twee maanden na betekening van het vonnis een individuele opvangplaats toewijzen in de regio van de huidige opvangplaats, zodat de jongere zijn school en stage, vakantiewerk en hobby kan verderzetten.

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen