10 oktober 2018

EU-lidstaten moeten niet alleen de binnenkomst en het verblijf vergemakkelijken van ‘andere familieleden’ van een Unieburger die zich vestigt in een andere lidstaat in het kader van het vrij personenverkeer. Lidstaten moeten ook de binnenkomst en het verblijf vergemakkelijken van ‘andere familieleden’ van een eigen onderdaan, die, na zijn recht op vrij verkeer te hebben uitgeoefend, samen met zijn ander familielid terugkeert naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft. Dat volgt uit artikel 21 VWEU, aldus het Hof van Justitie (HvJ) in een arrest van 12 juli 2018 (HvJ 12 juli 2018, Banger, C-89/17). Het arrest heeft ook gevolgen voor België: het moet zijn praktijk en wetgeving in lijn brengen met het arrest.

Feiten

Een Brits onderdaan werkte en woonde enkele jaren in Nederland, samen met zijn feitelijke partner van Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zijn partner had in Nederland als ‘ander familielid’ een verblijfskaart gekregen voor een familielid van een Unieburger. Bij terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk vroeg de partner opnieuw een verblijfskaart aan. De autoriteiten weigerden dit omdat ze geen ‘klassiek’ familielid was (echtgenoot of geregistreerde partner). Ze tekende beroep aan. Dit leidde in tweede aanleg tot een aantal prejudiciële vragen aan het HvJ.

HvJ

Het HvJ herhaalt zijn vaste rechtspraak dat derdelands familieleden van Unieburgers geen verblijfsrecht kunnen ontlenen aan de Burgerschapsrichtlijn (richtlijn 2004/38) in de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit bezit. Het Hof heeft in bepaalde gevallen echter erkend dat deze familieleden wel een afgeleid verblijfsrecht kunnen ontlenen aan artikel 21 VWEU. Zonder een dergelijk verblijfsrecht (bij terugkeer) zou de Unieburger er immers van weerhouden kunnen worden om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en zich te vestigen in een andere lidstaat. In dat geval kan hij niet met zekerheid een gezinsleven met een derdelands familielid dat hij opgebouwd of voortgezet heeft in de andere lidstaat, verderzetten in zijn lidstaat van oorsprong.

De voorwaarden voor de toekenning van dit afgeleid verblijfsrecht mogen volgens vaste rechtspraak niet strenger zijn dan de voorwaarden die de Burgerschapsrichtlijn bepaalt voor de toekenning van een verblijfsrecht aan familie van een Unieburger die gebruik maakte van het vrij verkeer in een andere lidstaat. Over de ‘andere familie’ van Unieburgers heeft het HvJ al geoordeeld dat lidstaten niet verplicht zijn om aan deze familieleden een verblijfsrecht toe te kennen. Wel zijn lidstaten verplicht om aanvragen van deze derdelanders gunstiger te behandelen dan verblijfsaanvragen van andere derdelands onderdanen. Deze logica geldt volgens het Hof ook voor andere familie van een Unieburger die terugkeert naar zijn eigen lidstaat: zij mogen niet minder gunstig behandeld worden dan een ander familielid van een Unieburger die in een andere lidstaat zijn recht op vrij verkeer uitoefent.

Concreet betekent dit dat lidstaten verplicht zijn om een ander familielid van een eigen onderdaan, die terugkeerde na de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer, de mogelijkheid te geven om een beslissing over zijn aanvraag te krijgen die:

  • gebaseerd is op een nauwkeurig onderzoek van de persoonlijke situatie
  • gemotiveerd is in geval van weigering
  • waartegen een daadwerkelijk beroep open staat, hetgeen betekent dat de rechter de weigeringsbeslissing in feite en in rechte kan toetsen

Gevolgen voor België?

De Belgische Verblijfswet voorziet momenteel alleen in een recht op gezinshereniging voor de ‘klassieke familieleden’ van een niet-statische Belg (= Belg die zijn recht op vrij verkeer uitoefende en terugkeerde naar België):

  • de echtgenoot of gelijkgestelde (geregistreerde) partner
  • de niet-gelijkgestelde geregistreerde partner
  • de bloedverwanten in neergaande lijn
  • de bloedverwanten in opgaande lijn
  • de ouders van een minderjarig Belgisch kind

Huidig artikel 40ter §1 Vw verwijst immers alleen naar de familieleden in artikel 40bis §2 Vw en niet naar de ‘andere familieleden’ in artikel 47/1 Vw. Uit het arrest volgt echter dat ook de binnenkomst en het verblijf van andere familieleden van een niet-statische Belg, vergemakkelijkt moet worden. Ook zij moeten een beslissing over hun aanvraag krijgen die gebaseerd is op een nauwkeurig onderzoek van hun persoonlijke situatie. Bij weigering moet hun aanvraag gemotiveerd zijn en moet er een effectief beroep openstaan.

België koos ervoor om de verplichting om de binnenkomst en het verblijf te vergemakkelijken van andere familieleden van een Unieburger, zoals vermeld in artikel 3, lid 2 Burgerschapsrichtlijn, uit te voeren door ten laatste zes maanden na de aanvraag een verblijfskaart als familielid van een Unieburger af te geven aan:

  • de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft en die niet bedoeld wordt in artikel 40bis, § 2, 2° ;
  • de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die, in het land van herkomst, ten laste zijn of deel uitmaken van het gezin van de burger van de Unie;
  • de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die wegens ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven

Het lijkt logisch dat België op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden de binnenkomst en het verblijf vergemakkelijkt van andere familieleden van een niet-statische Belg. In afwachting van een wetswijziging kunnen andere familieleden van een niet-statische Belg (= de familieleden in de drie punten onmiddellijk hierboven) zich beroepen op het arrest bij het indienen van een verblijfsaanvraag. Het is nog niet duidelijk hoe DVZ zijn beleid in de tussentijd zal aanpassen. Van zodra we hierover meer info hebben zullen we dit bericht updaten.