22 januari 2019

De overeenkomsten tussen de EU en Brazilië van 8 november 2010 inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een gewoon paspoort en voor houders van een diplomatiek of dienstpaspoort werden op 31 oktober 2017 aangepast. Dit om overeenstemming te brengen met de gewijzigde definitie van het begrip kort verblijf en de gewijzigde berekeningsregels die de Verordening nr. 610/2013 van 26 juni 2013 invoerde in de Schengengrenscode (Verordening nr. 562/2006). Beide overeenkomsten traden op 26 november 2018 in werking. 

Dit heeft tot gevolg dat een ‘kort verblijf’ voortaan ook voor Brazilianen uitgedrukt wordt in termen van een verblijf van maximum 90 dagen binnen elke periode van 180 dagen die aan elke dag van verblijf voorafgaat. Voorheen werd dit omschreven als een verblijf van maximum drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden te rekenen vanaf de eerste binnenkomst  

De referentieperiode van 180 dagen die in aanmerking moet worden genomen, is veranderlijk. Het gaat om de periode die aan elke dag van het verblijf voorafgaat. Dit betekent dat men op elke dag van het verblijf terugkijkt op de laatste 180 dagen om na te gaan of de 90 dagen binnen een periode van 180 dagen gerespecteerd werden.

Een ononderbroken periode van afwezigheid uit de Schengenzone van 90 dagen of meer laat een nieuw verblijf van 90 dagen toe.

Overeenkomsten met andere landen nog niet aangepast

Voor onderdanen van de andere landen waarmee de EU overeenkomsten inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf heeft afgesloten (Antigua en Barbuda, de Bahama’s, Barbados, Sint-Kitts en Nevis, Mauritius en de Seychellen) wordt nog steeds de oude regel van drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden gehanteerd zolang deze overeenkomsten niet zijn aangepast.