22 januari 2019

Op 23 augustus 2018 had het Agentschap Integratie en Inburgering een overleg met de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Tijdens dit overleg lichtte DVZ zijn actuele praktijken toe met betrekking tot diverse thema’s. Ons verslag van dit overleg werd nagekeken en aangevuld door DVZ op 28 november 2018. Opgelet: de administratieve praktijken en standpunten van DVZ zijn geen wetgeving en kunnen op elk moment wijzigen.

Hierna volgen de meest interessante uittreksels van het verslag.

 

Gezinshereniging met Belg na inreisverbod

Wanneer een familielid van een Belg, die onder inreisverbod staat, een aanvraag gezinshereniging indient, zal DVZ eerst onderzoeken of er tussen de Belg en het familielid een ‘afhankelijkheidsrelatie’ bestaat. Dit betekent dat bij weigering om de aanvraag in overweging te nemen, de Belg de facto gedwongen wordt om het grondgebied van de Unie te verlaten. Pas nadat  DVZ van oordeel is dat er een dergelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat, neemt DVZ de aanvraag in overweging en onderzoekt  de aanvraag ten gronde. Dit onderzoek kan nog steeds uitmonden in een weigering ten gronde (bijlage 20), bijvoorbeeld om redenen van openbare orde. Wanneer DVZ de afhankelijkheidsrelatie niet bewezen acht, neemt hij de aanvraag niet in overweging. Dit gebeurt bij gewone brief. 

Opmerking: volgens vaste rechtspraak van de RvV en de RvS zijn beslissingen om een aanvraag gezinshereniging 'niet in overweging' of 'niet in aanmerking' te nemen, onwettig. Voor meer info hierover, lees ons eerder nieuwsbericht 'Inreisverbod en gezinshereniging of humanitaire regularisatie'.

 

9bis-aanvraag na inreisverbod

Wanneer een derdelander onder inreisverbod een 9bis-aanvraag indient zal dit, in tegenstelling tot een aanvraag gezinshereniging, geen aanleiding geven tot een beslissing tot niet-inoverwegingname. De aanvraag wordt dus behandeld zoals elke andere 9bis-aanvraag.

 

Leeftijdsvoorwaarden gezinshereniging: tijdstip van beoordeling

  • DVZ beoordeelt de leeftijd van descendenten (kinderen en kleinkinderen) die een aanvraag gezinshereniging indienen op het ogenblik van de aanvraag.
  • DVZ beoordeelt de leeftijd van het Belgisch kind op het ogenblik van de aanvraag gezinshereniging ingediend door de vader of moeder
  • DVZ beoordeelt de leeftijd van echtgenoten en partners op het ogenblik van de beslissing
  • DVZ beoordeelt de minderjarigheid van een erkend vluchteling of subsidiair beschermde die het land binnenkwam als niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBM)V, op het ogenblik van het verzoek om internationale bescherming. Voorwaarde is wel dat de ouders de gezinshereniging vragen binnen drie maanden na de toekenning van de status van internationale bescherming (indien de NBMV tijdens de asielprocedure meerderjarig werd). Indien de erkend vluchteling of subsidiair beschermde nog minderjarig is op het ogenblik van de toekenning van de status, behouden de ouders het recht op gezinshereniging tot hun kind meerderjarig wordt.
  • Wanneer een kind meerderjarig wordt tijdens een beroepsprocedure voor de RvV tegen een weigeringsbeslissing van DVZ, en de RvV deze weigering vernietigt, zal DVZ de meerderjarigheid van het kind niet inroepen als nieuw element om de aanvraag opnieuw te weigeren.

 

Afschaffing verlengde minderjarigheid en gezinshereniging

De wet van 17 maart 2013 heeft het regime van de verlengde minderjarigheid afgeschaft. Volgens het Grondwettelijk Hof waren meerderjarige kinderen met een handicap, in staat van verlengde minderjarigheid, bij een aanvraag gezinshereniging vrijgesteld van de voorwaarde van voldoende en stabiele bestaansmiddelen. Die vrijstelling komt volgens DVZ nu te vervallen, omdat het regime van de verlengde minderjarigheid niet langer bestaat.

 

Geldig identiteitsdocument voor ouder van een minderjarige Belg

Sinds de wet diverse bepalingen van 4 mei 2016 vraagt DVZ een ‘geldig’ identiteitsdocument aan de ouder van een minderjarig Belgisch kind, die een aanvraag gezinshereniging indient (in toepassing van artikel 40ter §2, 2° Vw). Het moet gaan om een betrouwbaar identiteitsdocument met een foto.

Opmerking: de nieuwe vereiste dat het identiteitsdocument van de ouder steeds ‘geldig’ moet zijn, is betwistbaar:

  • Volgens artikel 52 Verblijfsbesluit, dat uitvoering geeft aan artikel 40ter Verblijfswet, moet je je identiteit bewijzen overeenkomstig artikel 41 Verblijfswet. Volgens dat artikel, dat uitgevoerd wordt in artikel 47 Verblijfsbesluit, kan je het bewijs van je identiteit ook op andere manieren bewijzen, bijvoorbeeld met een ‘vervallen’ paspoort of identiteitskaart.
  • Het is gevestigde rechtspraak van het Hof van Justitie dat derdelands familieleden van een Unieburger hun identiteit kunnen bewijzen met een vervallen identiteitsdocument (zie HvJ 25 juli 2002, Brax, C-459/99). Het is moeilijk in te zien waarom dezelfde soepele bewijsregels niet van toepassing zouden zijn op het verblijfsrecht van de ouders van een minderjarig Belgisch kind. Ook dat verblijfsrecht vloeit immers voort uit het Unierecht (zie HvJ 8 maart 2011, Zambrano, C-34/09), wat primeert op de Belgische wetgeving.
  • Het verstrijken van de geldigheidsduur van een identiteitsdocument betekent niet dat het document niet meer authentiek zou zijn.

 

Tegemoetkoming voor Personen met Handicap en gezinshereniging met Belg

Ondanks andersluidende rechtspraak van de RvV en RvS weigert DVZ nog steeds een tegemoetkoming voor Personen met Handicap in aanmerking te nemen als bewijs van voldoende bestaansmiddelen.

Opmerking: voor meer info hierover, lees ons eerder nieuwsbericht ‘Bestaansmiddelenvoorwaarde bij gezinshereniging: ontwikkelingen in rechtspraak’.

 

Gevolgen einde samenwoonst bij artikel 10 Verblijfswet

DVZ stelde in het verleden soepel om te springen met de samenwoonstverplichting voor minderjarige kinderen en ouders, zodra de kinderen meerderjarig werden en alleen wilden gaan wonen. DVZ beëindigde het verblijfsrecht in de praktijk niet op voorwaarde dat er geen beroep gedaan werd op sociale bijstand. Nu heeft een einde van de samenwoonst vaak wel negatieve gevolgen: ofwel kan het aanleiding geven tot een statuutswijziging naar artikel 9bis Verblijfswet, ofwel tot een beëindiging van het verblijfsrecht.

 

Gezinshereniging met Unieburger die ook Belg werd

DVZ past de Lounes-rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ) toe. Wanneer een Unieburger die naar België kwam in kader van het vrij personenverkeer Belg wordt en de dubbele nationaliteit verkrijgt, behoudt de Unieburger zijn recht op gezinshereniging op basis van de regels gezinshereniging met een Unieburger (artikelen 40bis en 47/1 Vw).

Opmerking: voor meer info hierover, lees ons eerder nieuwsbericht 'Unieburger die (ook) Belg wordt, behoudt recht op gezinshereniging op basis van regels Unieburgerschap'.

 

Visum gezinshereniging voor familie Unieburger en lopend onderzoek schijnhuwelijk

In het verleden stelde DVZ dat een lopend onderzoek schijnhuwelijk bij het parket geen reden was om de visumbehandeling te vertragen. Sinds 2016 worden enkel nog C-visa afgegeven aan derdelands familieleden van Unieburgers die gezinshereniging vragen.

Volgens artikel 45 Verblijfsbesluit moet DVZ het C-visum afgeven binnen de 15 dagen. Enkel in uitzonderlijke gevallen, en met een behoorlijke motivatie, kan deze termijn verlengd worden. Uit de praktijk blijkt dat de wettelijke termijn vaak niet gerespecteerd wordt door DVZ om volgende redenen:

  • Volgens DVZ is de termijn veel te kort (DVZ ontvangt het dossier vaak niet van de diplomatieke post binnen de 15 dagen en  kan dus ook geen beslissing nemen binnen die termijn).
  • DVZ wacht nu ook het advies af van het parket bij flagrante aanwijzingen van een mogelijk schijnhuwelijk. Deze praktijk staat haaks op de richtsnoeren van de EU-Commissie, zie Mededeling van de Commissie van 2/7/09, COM (2009) 313.

 

Behandelingstermijn aanvraag gezinshereniging derdelands familielid Unieburger (gevolgen arrest Diallo)

In het Diallo-arrest (lees meer hierover in ons nieuwsbericht ‘HvJ licht duur verblijfsprocedure van derdelands familielid Unieburger toe’) oordeelde het HvJ dat DVZ binnen de zes maanden een beslissing moet nemen en kennisgeving moet doen, over een aanvraag gezinshereniging ingediend door het derdelands familielid van een Unieburger. Als DVZ nalaat om binnen zes maanden een beslissing te nemen en ter kennis te brengen van de aanvrager, mag dat echter niet leiden tot de ambtshalve afgifte van een F kaart. Volgens het HvJ krijgt DVZ ook geen tweede, volledige, termijn van zes maanden om een nieuwe beslissing te nemen, na nietigverklaring van zijn weigeringsbeslissing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV).

Volgens DVZ dringt zich een wetswijziging op aangezien de huidige Verblijfswet niet in overeenstemming is met het Diallo-arrest. De vraag stelt zich of de wetswijziging ook zal gelden voor familie van een Belg die geen gebruik maakte van het vrij personenverkeer.

In afwachting van een wetswijziging past DVZ nog steeds de huidige regelgeving toe. Wel tracht DVZ nu al een beslissing te nemen binnen de vijf maanden na de aanvraag, zodat er nog één maand overblijft voor de kennisgeving. Wanneer de RvV een weigering van DVZ vernietigt, probeert DVZ zo vlug mogelijk een nieuwe beslissing te nemen. Wanneer nieuwe elementen moeten opgevraagd worden, zal DVZ wel moeten wachten op de input van de aanvrager. De betrokken aanvrager krijgt standaard 30 dagen na kennisgeving van de vraag naar nieuwe elementen, om deze effectief aan te brengen.

 

Toepassing integratie-inspanningen

  • Bewijzen integratie: wanneer voorleggen?

Een vreemdeling met een A kaart moet in principe bij elke verlenging van zijn verblijfskaart redelijke integratie-inspanningen bewijzen. De standaardbrieven voor een verlenging van de A kaart vermelden daarom altijd de integratie-inspanningen. Maar als bij een eerste of latere verlenging de integratie van betrokkene voldoende aangetoond werd, kan de voorwaarde daarna uit de brief geschrapt worden.

Een vreemdeling met een B of F kaart moet niet systematisch integratie-inspanningen bewijzen: alleen bij negatieve indicaties zal DVZ aan deze groep integratiebewijzen vragen.

  • Temporeel toepassingsgebied

DVZ past de integratievoorwaarde toe op elke beslissing genomen vanaf 26-01-2017 en dus niet op elke aanvraag ingediend vanaf die datum (zoals bepaald in de wet van 18 december 2016). De controleperiode van 1 + 4 jaar begint volgens DVZ in alle gevallen te lopen vanaf 26-01-2017, ook al houdt DVZ wel rekening met integratiebewijzen die dateren van ervoor.

  • Hoe integratie-inspanningen bewijzen?

De lijst met criteria om integratie-inspanningen te bewijzen in de Verblijfswet is niet-limitatief. Zo kan het volgen van een inburgeringscursus bewezen worden op verschillende manieren: met een attest van aanmelding, een inburgeringscontract, een attest van regelmatige deelname of een inburgeringsattest.

 

Bescherming tegen repatriëring tijdens erkenningsprocedure van een kind

Er zou nog een omzendbrief komen over de gegevensuitwisseling tussen DVZ en gemeenten bij de aangifte van een erkenning, naar analogie met de omzendbrief van 17 september 2013 over de gegevensuitwisseling tussen de ambtenaren van de burgerlijke stand en DVZ ter gelegenheid van een huwelijksaangifte of een verklaring van wettelijke samenwoning van een vreemdeling in illegaal of precair verblijf. In afwachting van die omzendbrief laat DVZ weten dat zij de uitvoering van een BGV ten aanzien van een persoon die betrokken is in een lopende erkenningsprocedure voor de ABS, zal opschorten.