12 juli 2017

De Raad van State (RvS) spreekt zich in arrest nr. 238.301 van 23 mei 2017 uit over de gevolgen in België van een eerdere erkenning als vluchteling door een derde land, in het geval dat land niet voldoet aan de voorwaarden om als ‘eerste land van asiel' beschouwd te worden. Volgens de RvS geeft een eerdere erkenning geen automatisch recht op hetzelfde statuut in België. De staat bij wie een nieuwe asielaanvraag op grond van dezelfde vrees werd ingediend, moet onderzoeken of de vrees nog steeds actueel is.

Feiten en procedurevoorgaanden

Een Rwandees koppel werd in 2007 erkend als vluchteling door de Mozambikaanse autoriteiten. In 2012 vroegen zij asiel aan in België, op grond van een vrees  voor vervolging in Mozambique. Het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) wees hun asielaanvraag af.

Het CGVS wees ook een tweede asielaanvraag af die gebaseerd was op de vrees voor vervolging in hun land van herkomst Rwanda.

De algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) hervormde de beslissing en kende beide de vluchtelingenstatus toe, op basis van de volgende elementen:

Eerste land van asiel niet van toepassing

Artikel 48/5, §4 van de Verblijfswet (Vw) bepaalt dat er geen behoefte aan internationale bescherming is indien de asielzoeker reeds in een ‘eerste land van asiel’ reële bescherming geniet. Een land wordt volgens artikel 48/5, §4 Vw beschouwd als eerste land van asiel wanneer:

  • de asielzoeker in dat land  erkend is als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten of
  • de asielzoeker in dat land reële bescherming geniet, met inbegrip van het genot van het beginsel van non-refoulement mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.

 Aangezien het onzeker is of de autoriteiten in Mozambique de echtgenoten terug zouden toelaten op het grondgebied en of ze het principe van non-refoulement zouden respecteren, oordeelde de RvV dat Mozambique niet als eerste land van asiel kan beschouwd worden. In dit geval moet de vrees voor vervolging beoordeeld worden ten opzicht van het herkomstland.

Geen automatische bevestiging van de vluchtelingenstatus

Het feit dat verzoekers al bescherming genoten in Mozambique is een belangrijk element, maar betekent geenszins een automatische overname van de vluchtelingenstatus.

Integendeel, om de vluchtelingenstatus te bevestigen, voert het CGVS een individueel onderzoek conform artikel 49, §1, 6°  en 57/6, 3° Vw. Artikel 93 van het Verblijfsbesluit (Vb) verbindt aan de bevestiging ook de voorwaarde dat de aanvrager regelmatig en zonder onderbreking gedurende achttien maanden in België verbleven heeft en de duur van zijn verblijf niet om een welbepaalde reden beperkt werd. De asielzoekers voldoen hier niet aan.

Gevolgen van de erkenning in Mozambique voor de beoordeling van de asielaanvraag door de Belgische asielinstanties?

Volgens de RvV hebben de beslissingen tot erkenning in Mozambique een declaratief karakter en ook gevolgen in de internationale rechtsorde. De beslissingen leggen verplichtingen op aan België met betrekking tot respect voor het non-refoulementsverbod.

De RvV verwijst naar conclusie nummer 12 van het Uitvoerend Comité van UNHCR (ExCom conclusie no 12) over de extraterritoriale werking van de toekenning van vluchtelingenstatus. Deze stelt onder meer:

  • Het is inherent aan het doel van het Vluchtelingenverdrag dat elke verdragsstaat de vluchtelingenstatus respecteert.
  • Het vluchtelingenstatuut verkregen in één lidstaat, mag niet in vraag gesteld worden door een andere lidstaat, behalve in het geval waar blijkt dat de status verkregen is door het afleggen van frauduleuze verklaringen, of wanneer de vluchteling zich bevindt in één van de voorwaarden om de vluchtelingenstatus op te heffen of in te trekken. Indien de vluchteling zich niet in die voorwaarden bevindt, moeten de autoriteiten ervan uitgaan dat de vrees voor vervolging ten opzichte van het herkomstland al onderzocht werd en dat de beslissing nog geldt.

Het CGVS sprak zich niet uit over de gevolgen van de erkenningen in Mozambique voor de asielaanvraag in België. Het CGVS toonde niet aan dat er sprake van fraude was of de verzoekers zich onder de voorwaarden voor opheffing of intrekking van vluchtelingenstatus bevinden. Toch stelt het CGVS vast dat de vrees voor vervolging in Rwanda niet actueel is en wijst de asielaanvragen af. De RvV oordeelt dat deze weigeringen van vluchtelingenstatus geïnterpreteerd kunnen worden als een opheffing van vluchtelingenstatus omdat de omstandigheden die aanleiding gaven tot de erkenning opgehouden zijn te bestaan.

Maar de RvV hervormt deze weigeringsbeslissing en kent de verzoekers de vluchtelingenstatus toe op grond van de volgende elementen:

  • De verzoekers maakten beide het voorwerp uit van vervolging die zelfs leidde tot de dood van verwanten van de man.
  • Meerdere familieleden werden vermoord na hun vertrek uit Rwanda. Het feit dat verschillende andere familieleden nog in Rwanda leven, volstaat niet om de aanwezigheid van een gegronde vrees voor vervolging uit te sluiten zonder nader onderzoek van de voorwaarden waarin zij leven.
  • Hetzelfde geldt voor de opname van de naam van de vader op een verouderde lijst met vermeende daders van genocide. Het is niet betwist dat hij als vluchteling in Kenia verblijft. Bovendien blijkt uit elementen in het verzoekschrift dat de naam van de vader ook op geactualiseerde lijsten verschijnt.
  • Verzoekster heeft ingeroepen dat zij slachtoffer is van machtsmisbruik en plunderingen van hun goederen door de autoriteiten.

Ook al blijven er nog een aantal vaagheden in het asielrelaas, toch oordeelt de RvV om het voordeel van de twijfel toe te kennen en de verzoekers werden erkend als vluchteling.

Cassatieberoep door CGVS bij de Raad van State

Het CGVS tekende cassatieberoep aan tegen de hervormingsbeslissing. Zij werpt op dat geen enkele bepaling in het internationale of interne recht haar verplicht tot automatische overname of bevestiging van het vluchtelingenstatuut toegekend door een ander land. Het arrest zou volgens het CGVS op de foute veronderstelling steunen dat het afwijzen van de asielaanvraag gelijk staat aan het opheffen of intrekken van de vluchtelingenstatus die Mozambique verleende.

Het CGVS verwijt de RvV ook een reglementaire draagwijdte toe te kennen aan de ExCom conclusie nummer 12 van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen en zich gefocust te hebben op de opheffing van de vluchtelingenstatus.

Beslissing Raad van State

De RvS stelt dat geen enkele bepaling (intern of internationaal) een staat verplicht tot automatische bevestiging van het vluchtelingenstatuut van een persoon die in een ander land erkend is. Het feit dat verzoekers in Mozambique erkend werden als vluchteling, houdt geenszins een automatische overdracht of bevestiging in van hun statuut. Voor die bevestiging van vluchtelingenstatus voorzag de wetgever immers een afzonderlijke procedure in art. 49 Vw. De verzoekers voldoen niet aan de voorwaarden hiervan en vroegen ook op geen moment de toepassing van deze bepalingen.

De RvV heeft volgens de RvS terecht opgemerkt dat het verzoek een nieuwe asielaanvraag op grond van artikel 48/3 Vw is. De RvV onderzocht om die reden de vrees voor vervolging in geval van terugkeer naar Rwanda. In tegenstelling tot wat verweerders beweren, overwoog de rechter niet dat de erkenning in Mozambique de asielzoeker automatisch het recht geeft op een zelfde statuut in België.

Uit bepaalde overwegingen van het bestreden arrest volgt dat de weigering van erkenning door het CGVS neer komt op een opheffing van het statuut op grond van de vrees voor vervolging in het herkomstland, door het opnieuw ter discussie stellen van die vrees. Maar die overweging moet volgens de RvS samen gelezen worden met de overwegingen omtrent de ExCom conclusie nummer 12 van UNHCR. Op basis daarvan beslist de rechter dat wanneer de vrees voor vervolging reeds door een andere verdragsstaat is onderzocht en deze het vluchtelingenstatuut toekende, het aan de staat bij wie een nieuwe asielaanvraag op grond van dezelfde vrees werd ingediend, toekomt om te onderzoeken of deze vrees nog steeds actueel is.

De RvV kende, op grond van bovenvermelde elementen, het voordeel van de twijfel toe en besloot tot toekenning van de vluchtelingenstatus. De Raad van State stelt dat het onderzoek van de geloofwaardigheid en de actualiteit van de vrees voor vervolging behoort tot de soevereine appreciatie van de eerste rechter. De Raad van State kan zich niet in de plaats stellen en verwerpt om die reden het cassatieberoep. 

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen