19 maart 2019

Als Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) geen beslissing neemt binnen zes maanden na een aanvraag gezinshereniging van een derdelands familielid van een Unieburger, dan heeft het familielid een subjectief recht op een F kaart (verblijfskaart van familielid van een Unieburger). Hof van Justitie (HvJ) arrest Diallo veroordeelde dat als een foutieve omzetting van de Burgerschapsrichtlijn. Maar volgens de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde (nr. 19/25/A van 29 januari 2019) kan de Belgische overheid zich niet beroepen op haar eigen fout, en moet ze dus verplicht de F kaart afgeven.

Feiten

Een Kosovaars gezin diende een aanvraag gezinshereniging in als ‘ander familielid’ van een Unieburger. DVZ weigerde de aanvraag zes maanden en twintig dagen na de aanvraag. Het gezin diende beroep in tegen de weigeringsbeslissing bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV), maar vatte daarnaast ook de rechtbank van eerste aanleg om de gemeente  te dwingen een F kaart af te geven.

Subjectief recht

Volgens de rechtbank van eerste aanleg zijn de artikelen 42 §1 Verblijfswet en 52 Verblijfsbesluit duidelijk:

  • DVZ moet binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag gezinshereniging een beslissing nemen
  • bij het niet-respecteren van die termijn, moet de gemeente een F kaart afgeven.

Deze artikelen houden volgens de rechtbank een subjectief recht in: ze zijn duidelijk en onvoorwaardelijk en houden een verplichting in ten aanzien van de burgemeester of zijn gemachtigde.

Diallo-arrest

In de zaak Diallo (HvJ 27 juni 2018, C-246/17, Diallo) oordeelde het HvJ dat DVZ binnen zes maanden een beslissing moet nemen over een aanvraag gezinshereniging ingediend door een derdelands familielid van een Unieburger. Ook de kennisgeving van die beslissing moet gebeuren binnen die termijn. Als DVZ nalaat om binnen zes maanden een beslissing te nemen en ter kennis te brengen van de aanvrager mag dat echter niet leiden tot de ambtshalve afgifte van een F kaart. De ambtshalve afgifte van een F kaart zou volgens het HvJ indruisen tegen de Burgerschapsrichtlijn (richtlijn 2004/38/EU). België zette de Burgerschapsrichtlijn volgens het HvJ dus foutief om in de Belgische verblijfswetgeving omdat deze wel - na zes maanden - voorziet in de ambtshalve afgifte van een F kaart.

Beoordeling Rechtbank eerste aanleg

Dat het HvJ oordeelde dat de Belgische verblijfswetgeving niet conform is aan de Burgerschapsrichtlijn, doet er volgens de rechtbank van eerste aanleg niet toe. Wanneer een staat zich beroept op de foutieve omzetting van een richtlijn om zo burgers bepaalde rechten te ontzeggen, beroept deze staat zich op de eigen fout. Volgens de rechtbank kan dit niet op grond van volgende rechtsprincipes:

  • ‘nemo auditur turpitudinem suam allegans’: niemand kan gehoord worden door de rechter wanneer hij zich beroept op zijn eigen ongeoorloofde bedoelingen
  • ‘patere legem quam ipse fecisti’:het bestuur moet de algemene regels die het zelf vastgesteld heeft, eerbiedigen.

Bijgevolg veroordeelt de rechtbank de gemeente tot de afgifte van een F kaart en dit op straffe van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging.