7 juni 2018

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) besluit in een arrest van 28 maart 2018 dat er geen uiterst dringende noodzakelijkheid is wanneer een tweede verzoek om internationale bescherming wordt gedaan vlak voor een geplande repatriëring. Dit omdat volgens de gewijzigde Verblijfswet het bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) dan automatisch opgeschort wordt.

Feiten

Een Indische man ontving op 7 februari 2018 een BGV en een beslissing tot vasthouding met het oog op verwijdering wegens onwettig verblijf. Op 16 maart 2018 werd hij op de hoogte gebracht dat er een vlucht naar India gepland was voor repatriëring op 23 maart. Drie dagen voor de geplande repatriëring deed hij een tweede verzoek om internationale bescherming in het gesloten centrum, waarop Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) hem een nieuw BGV betreffende een verzoeker om internationale bescherming afleverde. Hij diende hiertegen op 26 maart 2018 een beroep in uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) in bij de RvV.

Beoordeling van de RvV

De RvV duidt dat om tot een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen besluiten:

  • de vordering een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigt
  • er ernstige middelen moeten aangevoerd te worden die de vernietiging van de beslissing kunnen verantwoorden
  • er aangetoond moet worden dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen

De RvV oordeelt in deze zaak dat het uiterst dringend noodzakelijk karakter ontbreekt omdat de betrokkene een tweede verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Het nieuwe artikel 49/3/1 van de Verblijfswet, dat in werking trad op 22 maart 2018, bepaalt immers dat geen maatregel tot verwijdering of terugdrijving gedwongen kan worden uitgevoerd vanaf het doen van het verzoek om internationale bescherming en tijdens de behandeling van dit verzoek door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS).

Op de zitting voor de RvV blijkt dat het CGVS nog geen beslissing nam over het tweede verzoek van de betrokkene. De uitvoerbaarheid van het BGV is dus voorlopig opgeschort. De geplande repatriëring werd intussen geannuleerd. Het feit dat de persoon nog steeds in detentie is of dat een eerder geplande repatriëring niet is kunnen doorgaan, toont geen hoogdringendheid aan volgens de RvV.

Het nieuwe wetsartikel kent bovendien geen overgangsregeling en was al van toepassing op het moment dat het beroep werd ingediend. Het feit dat DVZ geen melding maakte van de schorsing in het BGV doet hier geen afbreuk aan, omdat de opschorting blijkt uit de gewijzigde Verblijfswet zelf. DVZ kon op het moment van de aflevering van het BGV bovendien nog het nieuwe wetsartikel niet vermelden omdat het nog niet toepasbaar was.

De betrokkene argumenteert verder dat de beroepstermijn om beroep in te stellen tegen het BGV mogelijks verstreken zal zijn wanneer het CGVS een beslissing neemt. De RvV wijst erop:

  • dat hij een gewone vordering tot schorsing en beroep tot nietigverklaring in eenzelfde verzoekschrift kan indienen binnen de termijn,
  • en voorlopige maatregelen kan vorderen wanneer de verwijdering imminent wordt.

De betrokkene toont niet aan dat de RvV op die manier niet tijdig zou kunnen tussenkomen.

De vordering tot schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen.

Opmerking: bij uitzondering kan het wel

In een arrest van 20 oktober 2017 (nr. 194.037) oordeelde de RvV in een gelijkaardige situatie  dat er wél sprake was van uiterst dringende noodzakelijkheid. Op dat moment voorzag de Verblijfswet immers nog niet expliciet in de opschorting van een verwijderingsmaatregel in het geval van een verzoek om internationale bescherming en tijdens de behandeling ervan door het CGVS. Hoewel DVZ verwees naar de toen al geldende praktijk waarbij men eerst de uitkomst van de asielprocedure afwachtte, werd toen wel besloten tot een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing omdat er geen wettelijke garantie was.

Tot slot moet opgemerkt worden dat een uitzondering bestaat op het nieuwe artikel 49/3/1 van de Verblijfswet. DVZ kan wel overgaan tot gedwongen repatriëring vanaf het doen van het verzoek om internationale bescherming wanneer aan volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  • het gaat om een derde (of verder) verzoek 
  • de verzoeker bevond zich voorafgaand aan het doen van het vorig verzoek in detentie en is er sindsdien onafgebroken gebleven
  • het CGVS oordeelde bij het vorig verzoek dat een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel niet leidt tot een schending van het non-refoulementbeginsel
 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen