16 oktober 2017

Geactualiseerd in november 2018

Familieleden van een Belg die gebruik maakt van zijn recht op vrij personenverkeer, vallen voor gezinshereniging onder dezelfde bepalingen als familieleden van een Unieburger. Om van deze gunstige bepalingen te genieten is het geen voorwaarde dat het familielid voordien, samen met de Belg, in een andere lidstaat van de EU verbleven heeft. Dat bevestigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) in een arrest van 14 september 2017 (nr. 191.976). In arresten van 22 augustus 2018 (nr. 208.016) en 21 juni 2018 (nr. 205.692) stelt de RvV dan weer dat het familielid wel degelijk samen met de Belg een gezinsleven opgebouwd of bestendigd moet hebben in de gastlidstaat.

Achtergrond: Wet diverse bepalingen en arrest Grondwettelijk Hof

De wet houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie van 4 mei 2016 (in werking op 7 juli 2016) voerde voor het eerst een aparte regeling in voor gezinshereniging met een Belg die gebruik maakte van het vrij personenverkeer. Het bestaande artikel 40ter Verblijfswet (Vw) werd opgesplitst in twee paragrafen, waarbij de eerste paragraaf specifiek verwijst naar gezinshereniging met een Belg die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer:

§ 1. De familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, van een Belg die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de familieleden van een burger van de Unie.”

De wetswijziging ging verder dan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (GwH) dat als bijkomende voorwaarde stelde dat het familielid samen met de Unieburger in een andere lidstaat moest verbleven hebben (zie onderaan dit bericht: GwH 26 september 2013, nr. 121/12, B.58.8 en ons nieuwsbericht van 4 oktober 2013). Die bijkomende voorwaarde werd dus niet overgenomen in de Verblijfswet. Artikel 40ter §1 Vw is daardoor in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie die verder reikt dan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (zie onderaan dit bericht: ons nieuwsbericht van 17 maart 2014).

Feiten

Een Belgische vrouw had van 2003 tot 2009 in Zwitserland verbleven en gebruik gemaakt van haar recht op vrij verkeer. Dit werd niet betwist door DVZ. In 2016, zeven jaar nadat de dochter gebruik gemaakt had van haar recht op vrij verkeer, vroeg de moeder van de Belgische vrouw gezinshereniging aan met haar dochter, maar DVZ weigerde dit. Volgens DVZ was niet aangetoond dat de moeder samen met haar dochter in Zwitserland verbleven had.

RvV analyse

Volgens RvV nr.191.796  is de tekst van artikel 40ter §1 Vw duidelijk: de wet stelt niet als voorwaarde dat het familielid, samen met de Belgische referentiepersoon, voordien in een andere lidstaat moest verblijven. Door deze bijkomende voorwaarde op te leggen voegt DVZ een voorwaarde toe aan de wet. De beslissing van DVZ wordt dan ook vernietigd.

In arresten nr. 208.016 van 22 augustus 2018 en nr. 205.692 van 21 juni 2018 geeft de RvV daarentegen géén letterlijke lezing aan de Verblijfswet: volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie zijn lidstaten ertoe gehouden om hun nationale recht uit te leggen conform het Unierecht. Volgens de RvV volgt uit de rechtspraak van het HvJ dat een gezinsleven bij terugkeer maar voortgezet kan worden in de lidstaat van de nationaliteit van de Unieburger, wanneer gelijktijdig aan twee voorwaarden voldaan is:

  • er moet in de gastlidstaat een 'daadwerkelijk verblijf' geweest zijn op basis van de Burgerschapsrichtlijn (dus een verblijf als werknemer/werkzoekende/zelfstandige/beschikker of student);
  • er moet een gezinsleven opgebouwd of bestendigd zijn in het gastland en het derdelands-familielid moet daar een afgeleid verblijfsrecht verworven hebben krachtens de Burgerschapsrichtlijn