9 juli 2018

Voorgaanden

Op 16 juni 2016  oordeelde het hof van beroep van Gent dat Palestina geen functionerende staat is, ook al zijn de vier criteria van de Conventie van Montevideo om van ‘een staat’ te kunnen spreken vervuld. Het hof van beroep van Gent oordeelde dat de erkenning door de internationale gemeenschap doorslaggevend is om te besluiten dat Palestina geen functionerende staat is. Het Hof van Cassatie vernietigde daarop dit arrest omwille van een tegenstrijdige motivering:

  • enerzijds stelt het hof van beroep van Gent dat de voorwaarden van de Conventie van Montevideo om van een staat te kunnen spreken vervuld zijn
  • anderzijds dat de erkenning door andere staten determinerend is

Het Hof van Cassatie (HvC) verwees de zaak door naar het hof van beroep van Brussel voor een nieuwe uitspraak.

Hof van beroep Brussel: Palestina is een staat

Het hof van beroep van Brussel meent in arrest nr. 2017/FA/707 van 5 juni 2018 dat er wel sprake is van ‘een Palestijnse staat’. De vier criteria van de Conventie van Montevideo van 26 december 1933 zijn, volgens het hof, vervuld:

  • een permanente bevolking
  • een bepaald grondgebied
  • een overheid/regering
  • het vermogen om relaties aan te gaan met andere staten.

Het hof gaat dus uit van de zogenaamde ‘declaratieve theorie’: wanneer de vier criteria van de Conventie van Montevideo die deel uitmaakt van het internationaal gewoonterecht vervuld zijn, is er sprake van een staat. De erkenning door andere staten doet er niet toe. Dat is wel het geval volgens de ‘constitutieve theorie’.

Het feit dat (een deel van) het Palestijns grondgebied door Israël betwist, bezet en gecontroleerd wordt, is volgens het hof niet voldoende om te concluderen dat de staat Palestina niet bestaat. Net zomin als het feit dat België Palestina nog niet erkend heeft als staat. Het hof stelt de al dan niet toekenning van het staatlozenstatuut, niet afhankelijk kan zijn van de plaats waar de betrokkene zich bevindt. Het hof verwijst ook naar het feit dat 138 staten Palestina als onafhankelijke staat erkennen en er in België een Palestijnse diplomatieke vertegenwoordiging aanwezig is.

Het hof veegt ook het argument van tafel dat er geen Palestijnse nationaliteitswetgeving bestaat die bepaalt wanneer iemand de Palestijnse nationaliteit heeft. Het Verdrag van New York betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954 (Staatlozenverdrag) bepaalt dat “een persoon die door geen enkele Staat ter wereld, krachtens diens rechtstelsel, als onderdaan beschouwd wordt” staatloos is. Het hof meent dat het Staatlozenverdrag geen ‘nationaliteitswetgeving’ vereist, maar dat het duidelijk moet zijn dat de betrokkene als onderdaan beschouwd wordt van dat land. In deze zaak is dit het geval volgens het hof op grond van:

  • de identiteitsstukken die door de betrokkene werden voorgelegd, onder andere de ‘Registration Card’ van UNRWA
  • een document afgeleverd door de Libanese overheid

Aangezien Palestina als staat wordt beschouwd, kan de betrokkene dus niet als staatloze erkend worden concludeert het hof.

Kritische bedenkingen

  • Het hof van beroep van Brussel gaat uit van de declaratieve theorie, hoewel ook de constitutieve theorie door belangrijke auteurs onderschreven wordt. In die theorie is de erkenning door andere staten doorslaggevend om van ‘een staat’ te kunnen spreken.
  • Er kunnen kanttekeningen geplaatst worden bij de invulling van de verschillende criteria van de Conventie van Montevideo. Zo bijvoorbeeld bij het criterium van een bepaald grondgebied: territoriale grensgeschillen vormen geen probleem, zolang er een 'identificeerbare territoriale kern' is. Dat lijkt niet het geval te zijn in de Palestijnse gebieden. De gebieden zijn in zones opgedeeld en de meerderheid van de gebieden staat onder Israëlisch militair bestuur. Het is moeilijk te spreken van een 'identificeerbare territoriale kern' omdat er steeds meer Israëlische nederzettingen gebouwd worden in Palestijns gebied.
  • Tenslotte stelt zich de vraag of een Palestijn als ‘onderdaan’ van Palestina beschouwd kan worden. Onderdaan zijn veronderstelt het genot van minimumrechten, zoals het recht om zich vrij te vestigen en te verplaatsen op het grondgebied en een recht op binnenkomst. Deze en vele andere rechten zijn niet gewaarborgd in de Palestijnse gebieden.

Verdeelde rechtspraak

Het hof van beroep van Gent heeft op 20 april 2017 haar koers al gewijzigd door te stellen dat Palestina een staat is en Palestijnen dus niet erkend kunnen worden als staatloze.

De rechtbank van eerste aanleg van Brugge daarentegen, besliste in een vonnis van 5 februari 2018 dat Palestina géén staat is, omdat er heel wat bemerkingen te maken zijn bij de vier criteria van de Conventie van Montevideo.

De rechtspraak is momenteel dus erg verdeeld. We blijven dit opvolgen en er over berichten.

Gevolgen voor kinderen geboren in België uit Palestijnse ouders?

Artikel 10 WBN voorziet dat kinderen die in België geboren worden en staatloos zouden zijn, de Belgische nationaliteit krijgen. Op dit ogenblik krijgen deze kinderen, na voorlegging van bepaalde documenten, de Belgische nationaliteit.

Maar als deze nieuwe strekking gevolgd wordt, zal art. 10 WBN niet meer toegepast worden. Deze kinderen zullen niet meer als staatlozen maar als kinderen met de Palestijnse nationaliteit beschouwd worden.                                                                                                                  

De ambtenaar van de burgerlijke stand is bevoegd voor de toepassing van art. 10 WBN. In de praktijk vragen zij vaak advies aan de dienst nationaliteit van de FOD Justitie. Het is niet duidelijk of de FOD Justitie haar standpunt ook zal wijzigen