26 april 2019

In arrest nr. C-163/17 van 19 maart 2019 verduidelijkt het Europees Hof van Justitie (HvJ), in antwoord op prejudiciële vragen, het begrip ‘onderduiken’ uit de Dublin III-verordening. De intentie van de verzoeker om internationale bescherming is hierbij belangrijk. De toegekende opvangplaats verlaten, geldt als vermoeden van onderduiken, op voorwaarde dat de verzoeker geïnformeerd is over de plicht een afwezigheid of verhuis te melden.

Verder oordeelt het HvJ dat een verzoeker niet mag worden overgedragen aan een andere lidstaat als de verwachte leefomstandigheden in geval van toekenning van een internationale beschermingsstatus in strijd zijn met het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bepaald in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

Het begrip ‘onderduiken’

Een Gambiaan die een verzoek om internationale bescherming in Italië deed, dient zonder de beslissing af te wachten een nieuw verzoek in Duitsland in. Duitsland beslist dat Italië bevoegd is. Op de dag van de geplande overdracht is de verzoeker niet aanwezig in de opvangstructuur. Tijdens de beroepsprocedure werpt hij op dat hij bij een vriend verbleef, maar toen hij vernam dat de politie hem zocht, heeft hij zich terug aangemeld in de opvangstructuur. Daar wordt hij verder opgevangen. Hij zegt niet te zijn ingelicht over de plicht zijn afwezigheid te melden.

De verwijzende rechter vraagt aan het HvJ of het voldoende is vast te stellen dat de persoon zijn verblijfplaats heeft verlaten zonder de autoriteiten op de hoogte te brengen, om te besluiten dat de persoon is ondergedoken.

Het HvJ verduidelijkt dat pas sprake is van onderduiken als de overdracht niet kan doorgaan omdat:

  • de persoon doelbewust buiten het bereik blijft van de autoriteiten
  • wat wordt vermoed wanneer de verzoeker zijn toegekende woonplaats verlaat zonder de autoriteiten in te lichten, op voorwaarde dat hij geïnformeerd is over de plicht zijn afwezigheid te melden

Wanneer hij het overdrachtsbesluit aanvecht, kan een verzoeker beroep doen op artikel 29, 2° van de Dublin III-verordening door te stellen dat de overdrachtstermijn van zes maanden is verstreken en dat hij niet is ondergedoken. Hij kan daarbij aantonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had zich aan hen te onttrekken.

Voorziene leefomstandigheden in geval van toekenning internationaal beschermingsstatuut

Verder wierp de verzoeker op dat de leefomstandigheden in Italië, in geval hij een beschermingsstatuut zou bekomen, een schending uitmaken van het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling, in strijd met artikel 4 van het Handvest.

De verwijzende rechter vraagt aan het HvJ of de te verwachten leefomstandigheden in geval van het bekomen van een beschermingsstatuut een overdracht in de weg kunnen staan, en hoe deze leefomstandigheden moeten beoordeeld worden.

Het HvJ stelt dat de Dublin III-verordening moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten.

In principe wordt aangenomen dat de behandeling van verzoekers om internationale bescherming in elke lidstaat in overeenstemming is met het Handvest en de Conventie van Genève. Toch kan het dat in de praktijk een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, waardoor een ernstig risico bestaat dat verzoekers, wanneer zij aan deze lidstaat worden overgedragen, worden behandeld in strijd met hun grondrechten.

Artikel 3, 2°, tweede lid van de Dublin III-verordening verbiedt de lidstaten een overdracht te doen wanneer de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in een lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandeling.

Het verbod op dergelijke behandeling is echter algemeen en absoluut. Of de betrokken persoon een ernstig risico loopt op het moment van de overdracht, tijdens de asielprocedure of na afloop ervan, is niet van belang. De leefomstandigheden in geval van het bekomen van een beschermingsstatuut moeten dus ook in acht worden genomen. 

Om tot een mogelijke schending van artikel 4 Handvest te kunnen besluiten moet een zekere drempel van zwaarwichtigheid worden bereikt. Dat is zo wanneer een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, door onverschilligheid van de autoriteiten:

  • buiten zijn wil en eigen keuzes om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie kan terechtkomen
  • waardoor hij niet kan voorzien in de meest elementaire behoeften, zoals eten, hygiëne en woonruimte
  • wat negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid
  • of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.

Een grote onzekerheid of verslechtering van de leefomstandigheden, of het feit dat de voorzieningen in de overdragende lidstaat beter zijn dan in de bevoegde lidstaat, zijn onvoldoende.

De rechterlijke instantie waarbij een beroep tegen het overdrachtsbesluit wordt ingesteld moet op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en actuele informatie nagaan of er specifiek voor de verzoeker een risico is op schending van artikel 4 Handvest.

Bevestiging principe bij toegekende beschermingsstatus in andere lidstaat

Op 19 maart 2019 beslist het HvJ in vier samengevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C 319/17 en C-438/17 dat een verzoek om internationale bescherming van iemand die reeds een beschermingsstatuut heeft in een andere lidstaat, niet zomaar niet-ontvankelijk mag worden verklaard als de leefomstandigheden daar een schending van artikel 4 van het Handvest kunnen veroorzaken. Deze zaken betroffen Palestijnen uit Syrië en een Rus, aan wie respectievelijk door Bulgarije en Polen subsidiaire bescherming was verleend, maar die een nieuw verzoek deden in Duitsland.

Ook in dat geval moet een zekere zwaarwichtigheid worden aangetoond. Het is onvoldoende dat personen met subsidiaire bescherming er geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten, of dat de voorzieningen duidelijk beperkter zijn dan in andere lidstaten, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat.

Het HvJ herinnert er tenslotte nog aan dat zowel de Kwalificatierichtlijn als de Procedurerichtlijn erop gericht zijn de naleving en doelstelling van artikel 18 van Handvest, met name het recht op asiel, te waarborgen.

Indien een asielprocedure in een lidstaat tot gevolg zou hebben dat de vluchtelingenstatus systematisch, zonder dat er een werkelijk onderzoek wordt gevoerd, wordt geweigerd aan verzoekers die voldoen aan de voorwaarden in hoofdstuk III van de Kwalificatierichtlijn, en dat hen in de plaats de subsidiaire bescherming wordt toegekend, zal dergelijke behandeling in strijd zijn met de verplichtingen vastgelegd in artikel 18 van het Handvest

Toch oordeelt het HvJ dat de andere lidstaten het bij hen ingediende nieuwe verzoek niet-ontvankelijk mogen verklaren, gelezen in het licht van het beginsel van wederzijds vertrouwen. In een dergelijk geval is het aan de lidstaat die de subsidiaire bescherming heeft toegekend om de procedure tot toekenning van de vluchtelingenstatus te hervatten.

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen