19 maart 2019

Het Hof van Beroep van Brussel oordeelt in een arrest van 10 augustus 2018 over draagmoederschap dat het hoger belang van het kind altijd moet primeren, ook wanneer er sprake is van strijdigheid met de Belgische openbare orde of in geval van wetsontduiking. 

Feiten

Een Belgisch-Frans gehuwd homokoppel woont in België en doet beroep op een draagmoeder in Californië. In 2014 wordt hieruit een tweeling, twee meisjes, geboren in Californië. Een van de mannen (M.G.) is de biologische vader van een de meisjes (D) en de andere man (M.Y.) is de biologische vader van het andere meisje (D).

Het Hooggerechtshof van de staat Californië velt een vonnis dat toelaat om de geboortecertificaten voor de kinderen op te stellen waarbij voor elk kind de vaderlijke afstamming wordt vastgesteld ten aanzien van M.G.. Ook M.Y. wordt vermeld in de geboorteakte, als tweede ouder in plaats van de draagmoeder.

De gemeente in België weigerde de overschrijving van de geboorteaktes en weigerde de tweede afstammingsband van M.Y. ten aanzien van beide kinderen te erkennen. Alleen de afstamming van de eerste ouder (M.G.) werd toegelaten en de tweeling werd ingeschreven als zijn kinderen.

De rechtbank van eerste aanleg oordeelde dat het beroep tegen de beslissing van de ambtenaar van burgerlijke stand ongegrond was. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst van draagmoederschap strijdig is met de Belgische internationale openbare orde en dat het vonnis uit Californië niet kan worden erkend om deze reden. Het homokoppel ging hiertegen in beroep.

Discussie

De rechtbank in eerste aanleg en het Hof van Beroep van Brussel zijn het erover eens dat de regels voor de erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing gelden en niet de regels voor de erkenning van een buitenlandse (geboorte)akte. Dit omdat de rechterlijke beslissing de wettelijke afstammingsband doet tot stand komen. De opmaak van de geboorteakte in Californië is enkel een administratieve formaliteit.

Een rechterlijke beslissing kan in België worden erkend op voorwaarde dat er geen strijdigheid is met de controlegronden van artikel 25 Wetboek IPR. Van belang in dit kader is de controle naar de strijdigheid met de openbare orde en wetsontduiking.

In tegenstelling tot de rechter in eerste aanleg besluit het Hof dat:

  • een draagmoederschapsovereenkomst op zich niet strijdig is met de openbare orde.
  • het principe dat er een tweede afstammingsband wordt vastgesteld met een ouder van hetzelfde geslacht niet strijdig is met de openbare orde, omdat het Belgische recht dit al toelaat in het kader van adoptie en meemoederschap.

Het Hof van Beroep oordeelt wel dat er sprake is van wetsontduiking. In België zou de afstamming ten aanzien van de tweede vader nooit kunnen zijn vastgesteld. Het Belgische recht laat niet toe dat er een dubbele vaderlijke afstammingsband wordt vastgesteld die voortvloeit uit een draagmoederschapsovereenkomst. Door naar het buitenland te trekken, heeft de tweede vader een recht verkregen dat hij nooit zou hebben verkregen in België, met toepassing van het Belgische recht.

Op basis van artikel 25, §1, 3° van het Wetboek IPR kan een buitenlands vonnis niet worden erkend als er sprake is van wetsontduiking, concludeert het Hof.

Hoger belang van het kind

Maar het Hof oordeelt ook dat het hoger belang van het kind altijd moet primeren, zelfs in geval van strijdigheid met de Belgische openbare orde of als er sprake is van wetsontduiking.

In deze zaak acht het Hof dat het strijdig zou zijn met het hoger belang van het kind om de wensouders een beroep te laten doen op de adoptieprocedure. M.Y. is de biologische vader van een van de tweelingzusjes en het is in haar hoger belang om haar wettelijke afstammingsband ten aanzien van die vader te zien vastgesteld. Het hoger belang van het andere meisje is vervolgens om hetzelfde statuut als haar zus te hebben ten aanzien van M.Y.. Dit om de eenheid binnen het gezin te behouden. Bovendien wonen de meisjes al vier jaar in een stabiel gezin met M.Y. en M.G. als feitelijke ouders. Het Hof erkent dus de beslissing van het Hooggerechtshof van Californië en de geboorteaktes die op basis hiervan tot stand kwamen.

Het Hof van Beroep van Brussel geeft een ruime draagwijdte aan de notie hoger belang van het kind en wijst erop dat  volgens artikel 3.1 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind voor elke beslissing die kinderen aanbelangen, het hoger belang van het kind de eerste overweging moet zijn, van welke instantie de beslissing ook uitgaat.