10 oktober 2018

Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) moet binnen zes maanden een beslissing nemen over een aanvraag gezinshereniging ingediend door een derdelands familielid van een Unieburger. Ook de kennisgeving van die beslissing moet gebeuren binnen die termijn. Als DVZ nalaat om binnen zes maanden een beslissing te nemen en ter kennis te brengen van de aanvrager mag dat echter niet leiden tot de ambtshalve afgifte van een F kaart. Tot slot krijgt DVZ geen tweede, volledige, termijn van zes maanden om een nieuwe beslissing te nemen, na nietigverklaring van zijn weigeringsbeslissing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV).

Dat alles zegt het Hof van Justitie (HvJ) in een arrest van 27 juni 2018 (HvJ 27 juni 2018, C-246/17, Diallo). Het Hof geeft daarmee een antwoord op een aantal prejudiciële vragen van de Belgische Raad van State.

Feiten

Diallo, een Guinese man, vroeg in België gezinshereniging met zijn minderjarig Nederlands kind. DVZ nam een weigeringsbeslissing binnen de zes maanden, maar stelde Diallo hiervan in kennis buiten de zes maanden-termijn. Diallo ging in beroep bij de RvV, die de weigering nietig verklaarde omwille van een gebrekkige motivering. Minder dan twee maanden na de datum van het vernietigingsarrest en bijna een jaar na de aanvraag nam DVZ een tweede weigeringsbeslissing. Nog dezelfde maand stelde DVZ Diallo hiervan in kennis. Diallo diende opnieuw een beroep in bij de RvV, dat verworpen werd. Tegen dit arrest diende Diallo een cassatieberoep in bij de Raad van State.

HvJ over beslissing versus kennisgeving

Een van de vragen die de Raad van State voorlegde aan het Hof is of richtlijn 2004/38 (de ‘Burgerschapsrichtlijn’) lidstaten verplicht om niet alleen binnen zes maanden een beslissing te nemen over een aanvraag voor een verblijfskaart, maar om binnen die termijn ook voor de kennisgeving te zorgen. Volgens de huidige Belgische wetgeving (artikel 52 § 4 Verblijfsbesluit) moet DVZ een beslissing nemen binnen zes maanden, de kennisgeving hoeft niet ook binnen deze termijn te gebeuren.

Artikel 10 Burgerschapsrichtlijn stelt dat het verblijfsrecht van een derdelands familielid van een Unieburger binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag, vastgesteld wordt door de afgifte van een verblijfskaart. Het begrip ‘afgifte’ houdt volgens het Hof noodzakelijkerwijs in dat een beslissing genomen én ter kennis gebracht wordt vóór het verstrijken van de termijn. Dit geldt volgens het Hof ook wanneer een lidstaat een verblijfskaart wil weigeren. De termijn voor kennisgeving kan immers niet verschillen al naargelang de beslissing van de lidstaat positief of negatief is.

HvJ over ambtshalve afgifte van verblijfskaart

De Raad van State vroeg het HvJ ook of de Burgerschapsrichtlijn zich verzet tegen nationale wetgeving die de nationale overheid verplicht om ambtshalve een verblijfskaart af te geven aan een familielid van een Unieburger, zonder na te gaan of die persoon werkelijk voldoet aan de voorwaarden van het Unierecht, wanneer het geen beslissing neemt (en ter kennis brengt) binnen zes maanden na de aanvraag.

Het Hof stelt vast dat de Burgerschapsrichtlijn niets zegt over de gevolgen die verbonden zijn aan de overschrijding van de termijn van zes maanden, zodat lidstaten dit vrij mogen bepalen. Een nationale regeling mag echter nooit afbreuk doen aan de nuttige werking van het Unierecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof creëert de afgifte van een verblijfskaart aan een familielid van een Unieburger geen verblijfsrecht. Dit bevestigt enkel een reeds bestaand verblijfsrecht van de betrokkene. Daaruit volgt dat het Unierecht zich verzet tegen de afgifte van een verblijfskaart aan een derdelander die niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in de Burgerschapsrichtlijn. Niet alle derdelanders ontlenen een verblijfsrecht aan de Burgerschapsrichtlijn: dit geldt alleen voor de derdelanders die een familielid zijn van een Unieburger in de zin van artikel 2 punt 2 van die Richtlijn. De ambtshalve afgifte van een verblijfskaart bij de overschrijding van de termijn van zes maanden staat volgens het Hof dan ook haaks op de doelstelling van de Burgerschapsrichtlijn voor zover het mogelijk maakt dat een verblijfskaart afgegeven wordt aan een derdelander die niet voldoet aan de voorwaarden daarvoor.

HvJ over behandelingstermijn na nietigverklaring in beroep

Volgens vaste Belgische rechtspraak krijgt DVZ opnieuw een volledige termijn van zes maanden om een beslissing te nemen, na een nietigverklaring van een weigeringsbeslissing door de RvV. De Raad van State vroeg het Hof of deze rechtspraak in overeenstemming is met het Unierecht?

Het Hof stelt opnieuw vast dat de Burgerschapsrichtlijn geen bepalingen bevat over de termijn waarover een lidstaat beschikt om een nieuw besluit te nemen na een nietigverklaring. Bij gebrek aan Unievoorschriften is het een zaak van de lidstaten om dit te bepalen op voorwaarde dat de nationale voorschriften de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (= doeltreffendheidsbeginsel). Het automatisch ingaan van een nieuwe termijn van zes maanden nadat het aanvankelijke besluit nietig verklaard is door de rechter, kan de uitoefening van het recht van het familielid van een Unieburger om binnen de zes maanden een besluit te verkrijgen over zijn aanvraag voor een verblijfskaart, erg bemoeilijken. Zo oordeelt het HvJ.

Het doel van de Burgerschapsrichtlijn is om het fundamentele recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten te vergemakkelijken en te versterken. Om dat doel te bereiken is vereist dat de derdelander die aantoont dat hij onder het begrip 'familielid van een Unieburger' valt, zo spoedig mogelijk in het bezit gesteld wordt van de verblijfskaart waaruit die hoedanigheid blijkt. Dankzij zijn verblijfskaart kan een familielid immers bewijzen dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft, waardoor hij dat recht makkelijker kan uitoefenen en makkelijker in het gastland kan inburgeren. Ook is het derdelands familielid van een Unieburger maar vrijgesteld van visumplicht (binnen de EU) indien hij in het bezit is van een geldige verblijfskaart.

Uit dit alles volgt dat het automatisch krijgen van een nieuwe termijn van zes maanden nadat een eerste besluit, waarbij een verblijfskaart geweigerd is, door de rechter nietig verklaard is, strijdig is met het doeltreffendheidsbeginsel. De nationale autoriteiten zijn daarentegen verplicht een nieuw besluit te nemen binnen een redelijke termijn, die maximaal zes maanden kan bedragen.

Gevolgen voor België?

DVZ communiceerde nog niet formeel over de concrete gevolgen van het Diallo-arrest in de praktijk. Wel staat vast dat de Belgische wetgeving en rechtspraak op verschillende punten niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof. Van zodra we meer info hebben zullen we dit bericht updaten.