3 mei 2018

Om een recht op gezinshereniging te hebben met zijn ouders moet een erkend vluchteling minderjarig zijn op het moment van zijn verzoek om internationale bescherming maar niet (meer) op het moment van de aanvraag gezinshereniging. Dat zegt het Hof van Justitie (HvJ) in een recent arrest van 12 april 2018 (C-550/16). Wel moet de erkend vluchteling zijn aanvraag gezinshereniging indienen binnen een redelijke termijn na zijn erkenning als vluchteling.

De Belgische Verblijfswet (Vw) stelt strengere voorwaarden maar moet nu toegepast worden in overeenstemming met de rechtspraak van het HvJ.

Feiten

Een Eritrese minderjarige komt Nederland alleen binnen en vraag asiel aan. Kort na haar asielaanvraag wordt ze meerderjarig. Enkele maanden daarna verleent de Nederlandse overheid haar een verblijfsvergunning asiel en vraagt ze gezinshereniging met haar ouders. Dat wordt haar geweigerd omdat ze op de datum van haar aanvraag gezinshereniging meerderjarig was. 

De Nederlandse rechter vraagt aan het HvJ  of de betrokken vluchteling nog beschouwd kan worden als een alleenstaande ‘minderjarige’ in de zin van art. 2 sub f) van de Europese richtlijn 2003/86 (Gezinsherenigingsrichtlijn). Enkel een alleenstaande minderjarige vluchteling heeft volgens art. 10, lid 3, sub a) Gezinsherenigingsrichtlijn recht op gezinshereniging met zijn ouders.

Beoordeling HvJ

Volgens het HvJ moet de datum van het verzoek om internationale bescherming het uitgangspunt zijn voor de beoordeling van de minderjarigheid in de zin van art. 10, lid 3, sub a) Gezinsherenigingsrichtlijn. Het hof komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen:

  • De Gezinsherenigingsrichtlijn preciseert niet op welk tijdstip de minderjarigheid beoordeeld moet worden. Deze vraag moet dan ook beantwoord worden in het licht van de bewoordingen, de opzet en het doel van de richtlijn, rekening houdend met de algemene beginselen van het Unierecht.
  • De Gezinsherenigingsrichtlijn is van toepassing op een erkend vluchteling, niet op een verzoeker om internationale bescherming, maar uit de Kwalificatierichtlijn (Europese richtlijn 2011/95) volgt dat de erkenning van de vluchtelingenstatus declaratoire kracht heeft. Bijgevolg heeft elke verzoeker om internationale bescherming die voldoet aan de materiële voorwaarden van deze richtlijn een subjectief recht om erkend te worden als vluchteling, zelfs voordat daarover een formeel besluit genomen is.
  • In die omstandigheden zou men afbreuk doen aan de nuttige werking van art. 10, lid 3, sub a) Gezinsherenigingsrichtlijn indien het recht op gezinshereniging afhangt van het tijdstip waarop de bevoegde nationale overheid formeel besluit om de betrokkene als vluchteling te erkennen (en dus van de snelheid waarmee die overheid het verzoek om internationale bescherming behandelt). Het standpunt dat er maar een recht op gezinshereniging zou bestaan voor zover de erkend vluchteling op het moment van de erkenningsbeslissing nog minderjarig is zou ook indruisen tegen het doel van de richtlijn: het bevorderen van gezinshereniging en het bieden van bijzondere bescherming aan alleenstaande minderjarige vluchtelingen. 
  • Een dergelijke interpretatie zou eveneens indruisen tegen het beginsel van gelijke behandeling doordat twee alleenstaande minderjarige vluchtelingen van dezelfde leeftijd die op hetzelfde moment een verzoek om internationale bescherming indienen, wat hun recht op gezinshereniging betreft, verschillend kunnen worden behandeld, naargelang de behandelingsduur van hun verzoeken om internationale bescherming.
  • Ook zou dit standpunt rechtsonzekerheid creëren omdat het dan absoluut onvoorzienbaar wordt voor de minderjarige om te weten of hij in aanmerking zal komen voor gezinshereniging met zijn ouders.
  • In periodes van grote toestroom van asielzoekers, en dus langere behandelingstermijnen, zou dit standpunt ook een groot deel van de vluchtelingen die hun verzoek om internationale bescherming indienden als alleenstaande minderjarige, het recht op gezinshereniging kunnen ontnemen. 
  • Om dezelfde redenen kan ook de datum waarop de aanvraag gezinshereniging ingediend wordt of de datum van de beslissing over die aanvraag, niet gebruikt worden om te bepalen of een vluchteling minderjarig is.

Anderzijds is het HvJ van mening dat een meerderjarig geworden vluchteling zijn aanvraag gezinshereniging binnen een ‘redelijke termijn’ moet indienen na zijn erkenningsbeslissing. Naar analogie met art. 12, lid 1, derde alinea Gezinsherenigingsrichtlijn vindt het HvJ een termijn van drie maanden redelijk.

Gevolgen voor België?

Volgens art. 10 §1, 7° van de Verblijfswet (Vw) moet een erkend vluchteling of subsidiair beschermde minderjarig zijn om zich te kunnen herenigen met zijn ouders. Deze bepaling wordt zo gelezen en toegepast dat de niet-begeleide minderjarige nog steeds minderjarig moet zijn op het ogenblik van de aanvraag gezinshereniging. Een dergelijke interpretatie is echter niet (meer) te verzoenen met de Gezinsherenigingsrichtlijn, zoals uitgelegd door het HvJ. Het is nog niet duidelijk hoe DVZ deze rechtspraak van het HvJ zal toepassen. 

In ieder geval heeft elke erkende vluchteling, op basis van dit arrest, voortaan het recht om zich te laten vervoegen door zijn ouders, voor zover hij:

  • België binnenkomt als NBMV en een verzoek om internationale bescherming indient wat leidt tot een erkenning als vluchteling, en 
  • een aanvraag gezinshereniging indient tijdens de drie maanden na zijn erkenning als vluchteling, en
  • meerderjarig is op het ogenblik van de aanvraag gezinshereniging

Aangezien een interpretatie van het Unierecht door het HvJ in principe retroactieve werking heeft kan het arrest ook ingeroepen worden door erkend vluchtelingen die vanaf 3-10-2005 (= uiterlijke omzettingsdatum van de Gezinsherenigingsrichtlijn door de lidstaten) in België een asielaanvraag indienden als NBMV en binnen de drie maanden na hun erkenning gezinshereniging vroegen (en afgewezen werden omwille van hun meerderjarigheid).

Toch rijzen er nog veel vragen met betrekking tot de toepassing van dit arrest in België, zoals:

  • Het HvJ sprak zich enkel uit over de ouders van een erkend vluchteling omdat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op subsidiair beschermden. Zal DVZ deze interpretatie ook volgen voor ouders van subsidiair beschermden? Beide categorieën werden door de Belgische wetgever gelijkgesteld op het vlak van gezinshereniging. 
  • Zal DVZ een ruimere termijn voorzien dan drie maanden om de aanvraag gezinshereniging in te dienen, bv. 12 maanden? De minimale termijn van drie maanden in art. 12, lid 1, derde alinea Gezinsherenigingsrichtlijn werd door de Belgische wetgever ook bewust uitgebreid naar 12 maanden voor wat betreft de vrijstelling van materiële voorwaarden voor gezinshereniging met personen met internationale bescherming, omdat drie maanden veel te kort werd geacht. 

    Volgens het Nederlandse recht, dat in dit arrest getoetst werd aan de Gezinsherenigingsrichtlijn, moet de aanvraag gezinshereniging bovendien  ingediend worden door de erkend vluchteling in Nederland en niet door de ouders in het herkomstland, wat een veel kortere termijn rechtvaardigt. In België is de situatie fundamenteel verschillend doordat de ouders de aanvraag zelf moeten indienen in het herkomstland, wat in de praktijk vaak geen evidentie is.

  • Wat met erkend vluchtelingen wiens ouders in het verleden geen aanvraag gezinshereniging indienden omdat ze (onterecht) in de waan waren dat hun aanvraag geweigerd zou worden omwille van de meerderjarigheid van hun kind? Of die een aanvraag indienden of probeerden in te dienen, maar (onterecht) afgewezen werden?

Van zodra DVZ zijn beleid toelicht zullen we dit bericht updaten.