6 juni 2018

Wie in het verleden gefolterd werd door de autoriteiten van zijn land van herkomst en het risico loopt op een ernstige achteruitgang van zijn lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand in geval van terugkeer, kan in aanmerking komen voor de subsidiaire beschermingsstatus. Ook wanneer er bij terugkeer geen risico meer is op foltering. Dit is het geval wanneer er een reëel risico bestaat dat de autoriteiten in het land van herkomst opzettelijk aangepaste zorg ontzeggen om de lichamelijke of geestelijke nawerkingen van de foltering te behandelen. Dat oordeelt het Hof van Justitie (HvJ) in een arrest van 24 april 2018 (C-353/16).

Feiten

Een man uit Sri Lanka diende in het Verenigd Koninkrijk een asielaanvraag in omdat de Sri Lankaanse veiligheidsdiensten hem als lid van de Tamil Tijgers in Sri Lanka gefolterd hadden. Ten gevolge daarvan leed hij aan een zware posttraumatische stressstoornis en een zware depressie. Er werd ook vastgesteld dat hij bijzonder vastberaden leek om zelfmoord te plegen als hij zou worden teruggestuurd. De vluchtelingenstatus en subsidiaire beschermingsstatus werden geweigerd door de nationale asielinstanties.

De nationale rechter bevestigde de weigeringsbeslissing tot subsidiaire bescherming omdat niet bewezen werd dat verzoeker opnieuw mishandeld zou worden bij terugkeer naar Sri Lanka. De rechter stelde wel vast dat het terugsturen in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM gelet op:

  • de ernst van zijn geestesziekte en
  • het feit dat hij geen toegang zou krijgen tot een geschikte behandeling. 

De verzoeker ging tegen die beslissing in beroep. De verwijzende rechter stelde aan het HvJ de vraag of een reëel risico op ernstige schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de verzoeker indien hij wordt teruggestuurd naar het land van herkomst, als gevolg van eerdere foltering of onmenselijke of vernederende behandeling waarvoor het herkomstland verantwoordelijk was, onder de definitie valt van subsidiaire bescherming zoals omschreven in de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU)?

Beoordeling HvJ

Volgens het HvJ diende de nationale rechter na te gaan of er een reëel risico is dat een verzoeker die in het verleden door autoriteiten van zijn land van herkomst is gefolterd, bij terugkeer naar zijn land van herkomst, opzettelijk de zorg zou worden ontzegd die passend is om lichamelijke of geestelijke nawerkingen van de foltering te behandelen. 

In dat geval komt een verzoeker in aanmerking voor de subsidiaire beschermingsstatus. Ook wanneer de verzoeker bij terugkeer niet langer het risico loopt te worden gefolterd, maar zijn gezondheid wel aanzienlijk zou kunnen verslechteren, zodat er een risico bestaat dat hij zelfmoord pleegt vanwege het trauma waaraan hij lijdt ten gevolge van de foltering.

Het HvJ komt tot die conclusie op grond van de volgende overwegingen:

  • Wanneer een verzoeker in het verleden blootgesteld is aan ernstige schade, is dit een duidelijke aanwijzing dat het risico opnieuw ernstige schade te lijden, reëel is. Maar dit is niet het geval wanneer er goede redenen zijn om aan te nemen dat die schade zich niet opnieuw zal voordoen of zal worden voortgezet.
  •  Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde in het arrest Paposhvili t. België dat artikel 3 EVRM zich in bepaalde situaties verzet tegen de verwijdering van een ernstig zieke persoon, namelijk:
    • wanneer die persoon het risico loopt om in de zeer nabije toekomst te sterven of
    • wanneer de verwijdering hem blootstelt aan een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand die tot een intens leiden of een significante daling van zijn levensverwachting zou leiden omdat in het land waarnaar hij wordt verwijderd geen adequate behandeling of geen toegang tot een adequate behandeling zou krijgen.
  • Artikel 3 EVRM correspondeert met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU. Dit betekent dat de verwijdering van een derdelander met een zeer ernstige geestelijke of lichamelijke aandoening, een onmenselijke of vernederende behandeling vormt in de zin van artikel 4 van het Handvest, indien die verwijdering een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand inhoudt. Hetzelfde volgt uit artikel 19, lid 2 van het Handvest. Dit artikel bepaalt dat niemand mag worden verwijderd naar een staat waarin een ernstig risico bestaat dat hij aan onmenselijke of vernederende behandelingen wordt onderworpen.
  • In geval sprake is van een ernstige psychische aandoening, moet rekening gehouden worden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen. Hierbij dient aandacht besteed te worden aan de bijzondere kwetsbaarheid van personen bij wie het psychologisch lijden is veroorzaakt door foltering of onmenselijke of vernederende handelingen in het land van herkomst.
  • Het feit dat de gezondheidstoestand van de verzoeker te wijten is aan foltering door de autoriteiten van zijn land van herkomst, is van belang bij de uitlegging van het begrip ‘ernstige schade’ zoals omschreven in art. 15, b) Kwalificatierichtlijn.
  • De verslechtering van de gezondheidstoestand bij gebrek aan adequate behandeling in het land van herkomst, maar niet omwille van het opzettelijk weigeren van medische zorg, volstaat niet voor het verlenen van subsidiaire bescherming. 
  • Om te beoordelen of er sprake is van een reëel risico dat opzettelijk de zorg wordt ontzegd die passend is om de lichamelijke en geestelijke nawerkingen te behandelen van de foltering door de autoriteiten van het land van herkomst, moet rekening gehouden worden met artikel 14 van het VN-Folterverdrag. Die bepaling waarborgt dat slachtoffers van foltering genoegdoening krijgen, met inbegrip van de middelen voor een zo volledig mogelijk herstel. Maar niet elke schending van artikel 14 kan aanleiding geven tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus. Het VN-Folterverdrag en de Kwalificatierichtlijn hebben immers een andere werkingssfeer.

Het is dus taak van de nationale autoriteiten om na te gaan of de verzoeker het risico loopt dat in geval van terugkeer, hem opzettelijk de zorg wordt ontzegd, die passend is om de lichamelijke en geestelijke nawerkingen te behandelen van de folteringen door de autoriteiten van dat land. 

Het HvJ concludeert dat dit het geval is wanneer:

  • nationale autoriteiten in strijd met artikel 14 van het VN-Folterverdrag niet bereid zijn in te staan voor rehabilitatie wanneer het risico bestaat op zelfmoord ten gevolge van het opgelopen trauma veroorzaakt door folteringen door die autoriteiten;
  • nationale autoriteiten discrimineren bij het verlenen van toegang tot de gezondheidszorg waardoor bepaalde etnische groepen of categorieën van personen moeilijker toegang krijgen tot de zorg die passend is om de gevolgen van foltering door de autoriteiten te behandelen.

Gevolgen voor België?

Het CGVS onderzoekt steeds, in het kader van de subsidiaire beschermingsstatus, of een verzoeker om internationale bescherming een reëel risico loopt op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer naar het land van herkomst. Het feit dat een verzoeker al in het verleden ernstige schade zoals foltering heeft ondergaan, is een duidelijke aanwijzing dat het risico op ernstige schade reëel is. Tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen; dan zal het CGVS geen subsidiaire bescherming toekennen. Dit is bepaald door art. 48/7 Verblijfswet (omzetting art. 4, §4 Kwalificatierichtlijn).

Deze rechtspraak verplicht het CGVS om bijkomend te onderzoeken of een verzoeker, die in het verleden slachtoffer werd van foltering door zijn nationale autoriteiten, bij terugkeer aangepaste zorg zal krijgen om de lichamelijke en geestelijke gevolgen van de foltering te behandelen. Als de nationale autoriteiten deze passende zorg weigeren of bijvoorbeeld discrimineren, kan de verzoeker in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming in België.

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen