22 januari 2019

Als het familielid van een erkend vluchteling of subsidiair beschermde een aanvraag gezinshereniging indient tijdens het eerste jaar na de toekenning van de beschermingsstatus, is het vrijgesteld van de materiële voorwaarden voor gezinshereniging. Het familielid moet dan niet bewijzen dat de vluchteling of subsidiair beschermde stabiele en voldoende bestaansmiddelen heeft, een ziekteverzekering en een behoorlijke huisvesting.

Zo'n termijn om te genieten van de vrijstelling mag strikt toegepast worden, tenzij de late indiening van de aanvraag gezinshereniging objectief verschoonbaar is op grond van bijzondere omstandigheden. Dat blijkt uit een arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 7 november 2018, nr. C-380/17.

Feiten

In Nederland diende een subsidiair beschermde een aanvraag gezinshereniging in voor zijn vrouw en minderjarig kind op basis van de gunstige vrijstellingsregels. In Nederland geldt de vrijstelling van voorwaarden alleen tijdens de eerste drie maanden na de toekenning van de beschermingsstatus. Nederland weigerde de aanvraag zonder meer om volgende redenen:

  • de aanvraag werd later dan drie maanden na het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus ingediend;
  • de vertraging was niet ‘verschoonbaar’.

Wel werd de mogelijkheid geboden om een nieuwe aanvraag in te dienen op grond van de algemene regels voor gezinshereniging. De Nederlandse rechter stelde daarom een prejudiciële vraag over de gunstige bepalingen voorzien in artikel 12 Gezinsherenigingsrichtlijn. In het bijzonder wou de Nederlandse rechter weten of de Nederlandse regeling, waarbij een verzoek om gezinshereniging geweigerd kan worden om de enige reden dat het niet ingediend is binnen de termijn van drie maanden, wel in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Gezinsherenigingsrichtlijn

Volgens artikel 12 Gezinsherenigingsrichtlijn (EU Richtlijn 2003/86) mogen lidstaten van vluchtelingen en hun familie niet eisen dat ze bij de aanvraag gezinshereniging bewijzen dat de vluchteling over voldoende bestaansmiddelen, huisvesting en een ziekteverzekering beschikt. Maar de lidstaten mogen dit wel eisen wanneer de aanvraag niet (minstens) binnen de drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus ingediend wordt. Nederland koos ervoor om de vrijstelling slechts drie maanden toe te staan, zoals minimaal opgelegd door de richtlijn. In België geldt de vrijstelling gedurende één jaar.

Hof van Justitie

Het voorzien voor vluchtelingen van gunstiger voorwaarden voor het recht op gezinshereniging in de Gezinsherenigingsrichtlijn neemt niet weg dat lidstaten de mogelijkheid hebben om het voordeel van die regeling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de aanvraag binnen een bepaalde termijn ingediend wordt, aldus het HvJ. Lidstaten zijn dan ook vrij om, wanneer zij dit opportuun achten, aanvragen gezinshereniging van vluchtelingen niet op grond van de voorkeursregeling van artikel 12 Gezinsherenigingsrichtlijn te behandelen, maar op grond van de gewone regeling die op aanvragen gezinshereniging van toepassing is, wanneer die aanvragen na (minstens) drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus ingediend zijn.

Het doeltreffendheidsbeginsel verzet zich er echter tegen dat een lidstaat een aanvraag gezinshereniging, op basis van de gunstige regeling in artikel 12 Gezinsherenigingsrichtlijn, weigert in situaties waarin de te late indiening op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.

Wanneer, bij overschrijding van de termijn, in principe wel voldaan moet zijn aan de materiële voorwaarden voor gezinshereniging, moet de lidstaat krachtens artikel 5, lid 5 en artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn ook rekening houden met individuele elementen zoals:

  • het belang van het minderjarige kind
  • de aard en de hechtheid van de gezinsbanden van de betrokken persoon
  • de duur van zijn verblijf in de lidstaat
  • het bestaan van gezinsbanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst

België

In België geniet de familie van erkend vluchtelingen en subsidiair beschermden gedurende één jaar na de toekenning van de status van internationale bescherming van de vrijstelling van de materiële voorwaarden voor gezinshereniging. De Verblijfswet voorziet echter geen enkele uitzondering voor aanvragen die laattijdig ingediend zijn op grond van bijzondere omstandigheden die objectief verschoonbaar zijn. De Belgische wetgeving lijkt op dit punt in strijd te zijn met de Gezinsherenigingsrichtlijn, zoals geïnterpreteerd door het HvJ.

Ook wanneer een aanvraag gezinshereniging, na één jaar na de toekenning van de beschermingsstatus, ingediend wordt op basis van de algemene regels (met bewijs van materiële voorwaarden) garandeert de Verblijfswet niet dat terdege rekening gehouden wordt met de individuele elementen van het dossier zoals artikelen 5, lid 5 en 17 Gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijven.