4 april 2014

Geactualiseerd in april 2018

Kan een vreemdeling die een uitwijzingsbevel met inreisverbod kreeg nog een verblijfsaanvraag indienen? Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) neemt een aanvraag gezinshereniging of een 9bis-aanvraag niet in aanmerking of in overweging wanneer de aanvrager het voorwerp uitmaakt van een geldig inreisverbod. De Belgische rechtspraak is verdeeld over de vraag of een niet-verstreken inreisverbod een belemmering vormt om een aanvraag gezinshereniging in te dienen. Het Europese Hof van Justitie (HvJ) zet in verschillende arresten enkele lijnen uit:

  • HvJ arrest C-82/16 K.A. tegen Belgie van 8 mei 2018 antwoordt op prejudiciele vragen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). We verwerken de uitspraak van dit arrest nog in dit bericht. Onderaan dit bericht vind je al een link naar het persbericht van het HvJ zelf.
  • HvJ arrest C-225/16 Ouhrami van 26 juli 2017 verduidelijkte eerder al de draagwijdte van een inreisverbod, opgelegd in uitvoering van de Terugkeerrichtlijn. Volgens dat arrest gaat de looptijd van een inreisverbod pas in vanaf de datum waarop de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk verlaten heeft. Aangezien een inreisverbod volgens het Hof niet in werking kan treden bij blijvende aanwezigheid op het Belgisch grondgebied kan DVZ een niet-uitgevoerd BGV met inreisverbod nog moeilijk inroepen als motief om een latere verblijfsaanvraag niet in aanmerking te nemen of ten gronde te weigeren.

Hierna bespreken we eerst de Belgische praktijk en rechtspraak en vervolgens de Europese rechtspraak van het HvJ. De Belgische praktijk moet zich aan de HvJ arresten aanpassen.

Gezinshereniging

Praktijk DVZ:

  • Volgens DVZ vormt een geldig inreisverbod een obstakel om een aanvraag gezinshereniging in te dienen. De aanvrager moet eerst gevolg geven aan het BGV en kan pas nadien, vanuit het herkomstland, gezinshereniging aanvragen.
  • De aanvraag gezinshereniging (ingediend bij de Belgische post in het buitenland) geldt als een impliciete aanvraag tot opheffing van het inreisverbod. De opheffing hoeft dus niet expliciet gevraagd te worden in een apart schrijven. Als de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging zal DVZ naar eigen zeggen het visum afleveren, ongeacht of de duurtijd van het inreisverbod verstreken is (Bron: overleg AgII met DVZ van 28/4/16).

RvV:

  • De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigt in tal van arresten de beslissingen waarmee DVZ de verblijfsaanvraag van familie van een Unieburger of van een Belg "niet in aanmerking" neemt met als motivering dat de persoon een inreisverbod heeft. DVZ moet de gezinshereniging ten gronde onderzoeken als de identiteit en gezinsband aangetoond is. DVZ kan alleen gemotiveerd weigeren wanneer de wettelijke voorwaarden voor gezinshereniging niet voldaan zijn, of wanneer er fraude of misbruik is of een ernstige en actuele bedreiging van de openbare orde is (zie o.m. RvV 2 april 2015, nr. 142.682; RvV 26 februari 2015, nr. 139.567 en RvV 19 december 2014, nr. 135.627).
  • Op 8 februari 2016 stelde de RvV een aantal prejudiciële vragen over deze kwestie aan het Hof van Justitie (RvV 8 februari 2016, nr. 161.497). De vragen werden tot op heden nog niet beantwoord. Wel stelde advocaat-generaal Sharpston in haar conclusie dat artikel 20 VWEU, gelezen in combinatie met de artikelen 7 & 24 Handvest van de Grondrechten van de EU zich verzet tegen de automatische weigering van een verblijfsaanvraag op het grondgebied van een derdelands familielid van een statische Unieburger, die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod, opgelegd in toepassing van Terugkeerrichtlijn (Concl. adv-gen Sharpston 26 oktober 2017, C-82/16)

RvS:

  • In verschillende arresten bevestigt de Raad van State het standpunt van de RvV dat beslissingen van DVZ, waarbij de aanvraag gezinshereniging niet in overweging of in aanmerking genomen wordt omwille van een bestaand inreisverbod, onwettig zijn (RvS 13 december 2016, nr. 236.752; RvS 9 augustus 2016, nr. 235.598; RvS 9 augustus 2016, nr. 235.596 en RvS 12 mei 2016, nr. 234.719). In één arrest oordeelde de RvS wel dat een inreisverbod een wettige reden vormt om een aanvraag gezinshereniging ten gronde te weigeren omdat het genot van een verblijfsrecht in België ook een recht op binnenkomst vereist. Dat laatste veronderstelt een afwezigheid van inreisverbod. Om die reden volstaat een geldend inreisverbod als enige reden om een aanvraag gezinshereniging ten gronde te weigeren, aldus de Raad van State (RvS 9 augustus 2016, nr. 235.596). Deze zienswijze is duidelijk in strijd met de conclusie van de advocaat-generaal in de hangende prejudiciële zaak voor het Hof van Justitie (zie hierboven).

Regularisatie

De humanitaire regularisatieprocedure (artikel 9bis Vw) is een uitzonderingsprocedure in België:

  • DVZ stelt dat een derdelander die een inreisverbod kreeg opgelegd en een humanitaire regularisatie wil aanvragen, voorafgaandelijk de opheffing of opschorting van dit inreisverbod moet aanvragen en bekomen via de Belgische ambassade. Een regularisatieaanvraag die in België wordt ingediend door een persoon met een niet-opgeheven of opgeschort inreisverbod wordt door de DVZ niet in overweging genomen. DVZ verwijst hiervoor naar artikel 74/12, §4 Vw.
  • Wat is de wettelijke basis om een 9bis aanvraag niet in overweging te nemen omwille van een lopend inreisverbod? DVZ verwijst naar artikel 74/12, §4 Vw. Maar dat artikel zegt alleen dat een derdelander geen recht op toegang of verblijf heeft tijdens een onderzoek tot opheffing of opschorting van een inreisverbod. Artikel 9bis kan aangevraagd worden ook vanuit een onwettig verblijf; artikel 74/12, §4 Vw is dus geen wettelijk beletsel voor een aanvraag artikel 9bis.

Ouhrami-arrest

In het Ouhrami-arrest oordeelde het Hof van Justitie dat een inreisverbod een middel vormt om de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de Unie te vergroten, door te waarborgen dat gedurende een bepaalde periode na de verwijdering van een illegaal verblijvende derdelander, deze persoon niet legaal zal kunnen terugkomen op het grondgebied van de lidstaten. Uit de bewoordingen, de opzet en het doel van richtlijn 2008/115 vloeit voort dat het tijdvak van het inreisverbod pas ingaat vanaf de datum waarop de betrokkene het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk verlaten heeft (HvJ 26 juli 2017, C-225/16, Ouhrami). Lees onze volledige bespreking van het arrest in ons nieuwsbericht van 12 september 2017. Aangezien een inreisverbod pas uitwerking heeft vanaf het moment dat betrokkene het grondgebied van de lidstaten verlaat, valt moeilijk in te zien hoe DVZ nog kan steunen op een niet-uitgevoerd BGV met inreisverbod om een latere verblijfsaanvraag, die bij blijvende aanwezigheid ingediend wordt, af te wijzen. Voorlopig lijkt DVZ zijn standpunt dat een inreisverbod bij blijvende aanwezigheid in België een beletsel vormt om een latere verblijfsaanvraag in te dienen, niet te willen wijzigen.

Ouhrami en regularisatie

Vóór het Ouhrami-arrest werden beroepen tegen een zonder voorwerp verklaring of een onontvankelijkheidsverklaring van een 9bis aanvraag wegens eerder opgelegd (en niet opgeheven of geschorst) inreisverbod verworpen wegens gebrek aan belang (Cass. nr. 218401, 9 maart 2012; Cass. nr. 235344, 5 juli 2016; Cass. nr. 235719, 5 september 2016; RvV nr. 185030, 31 maart 2017). 

Sinds Ouhrami vernietigt de RvV zonder voorwerp verklaringen van 9bis aanvragen wegens eerder opgelegd (en niet opgeheven of geschorst) inreisverbod. Het inreisverbod gaat pas in op het moment dat betrokkene het grondgebied verlaat en een 9bis aanvraag kan worden ingediend vanuit onwettig verblijf (RvV nr. 194066, 23 oktober 2017; RvV nr. 195142, 16 november 2017; RvV nr. 197804, 11 januari 2018). Deze rechtspraak werd bevestigd door de RvS (Cass nr. 240394, 11 januari 2018).