12 september 2017

In arrest nr. 2015/AR/3257 van 16 juni 2016 ging het hof van beroep van Gent  ervan uit dat Palestina geen functionerende staat is (Lees meer in ons nieuwsbericht van 1-07-2016). Het hof meende wel dat Palestina aan de voorwaarden van de Conventie van Montevideo voldoet om van ‘een staat’ te kunnen spreken, namelijk:

  • een bepaald grondgebied,
  • een permanente bevolking,
  • een regering,
  • de capaciteit om relaties aan te gaan met andere staten.

Toch was het hof van oordeel dat Palestina geen ‘functionerende staat’ is, omdat de erkenning door de internationale gemeenschap doorslaggevend is, ook al is dat geen criterium van de Conventie van Montevideo. Een groot aantal landen, waaronder België, heeft Palestina immers nog niet erkend als staat.

Het hof erkende de betrokkene daarom toen als staatloze. Het openbaar ministerie ging in beroep bij het Hof van Cassatie (HvC). Het HvC besliste op zijn beurt dat de voorgelegde motivering tegenstrijdig is:

  • enerzijds stelt het hof van beroep van Gent dat de voorwaarden van de Conventie van Montevideo om van een staat te kunnen spreken vervuld zijn,
  • anderzijds dat de erkenning door andere staten determinerend is.

Omwille van deze tegenstrijdige motivering casseerde het HvC de uitspraak en stuurde het de zaak door naar een ander hof van beroep, in casu het hof van beroep van Brussel. Op deze nieuwe beslissing is het nog steeds wachten.

Maar op 20 april 2017 gooide het hof van beroep van Gent het roer om in arrest nr. 2015/AR/1954. Het feit dat aan de vier voorwaarden van de Conventie van Montevideo voldaan is om van een staat te kunnen spreken, is voldoende. Het argument dat een heel aantal staten Palestina (nog) niet erkend hebben, en dat Palestina niet als een functionerende staat beschouwd kan worden, komt niet meer aan bod in dit arrest. Het hof weigert daardoor de betrokkene te erkennen als staatloze.

Kritische bedenkingen

Deze koerswijziging is opmerkelijk:

  • Tot nu toe werd algemeen aanvaard dat Palestijnen die aantonen geen andere nationaliteit te bezitten (van de landen waarmee zij een band hebben: bijvoorbeeld waar ze geboren zijn of verbleven hebben), staatloos zijn. Zij werden dan ook zonder probleem erkend als staatloze. Zonder wijzigingen in de praktijk, draait het hof van beroep van Gent dit uitgangspunt om.
  • Bovendien betekent de beslissing tot vernietiging door het HvC omwille van een tegenstrijdige motivering niet dat slechts één van de twee argumenten steek houdt. Het houdt ook geen voorkeur voor één van beide argumenten in, en het wil evenmin zeggen dat er geen andere nuttige elementen in het dossier aan bod kunnen komen.
  • Het feit dat Palestina aan de voorwaarden van de Conventie van Montevideo zou voldoen om van een ‘staat’ te kunnen spreken, wil nog niet zeggen dat de betrokkene ‘onderdaan’ is van die staat. Hoe wordt de Palestijnse nationaliteit verworven? Is er een wetgevend kader? Wie is de bevoegde autoriteit? Het is duidelijk dat er een belangrijke rol is weggelegd voor de advocaat om elke zaak individueel te staven en motiveren.

De vraag rijst hoe andere rechtbanken en hoven van beroep met de aanvragen tot erkenning als staatloze van Palestijnen zullen omgaan. Voorlopig is het afwachten wat het hof van beroep van Brussel zal beslissen in de gecasseerde zaak.