12 juli 2017

In een vonnis van de Rechtbank van Gent van 15 december 2016 oordeelt de rechter dat een legalisatie door de Minister van Buitenlandse Zaken voldoet aan de legalisatievoorwaarden van artikel 30 Wetboek Internationaal Privaatrecht (WIPR). Een Somalische huwelijksakte die op die manier was gelegaliseerd, werd aanvankelijk niet erkend door de ambtenaar van de burgerlijke stand omdat ze niet zou voldoen aan de legalisatievoorwaarden.

Feiten

Een koppel dat in Gent woont, huwde in 2012 in Somalië. Maar wanneer ze hun huwelijk in Gent willen laten registreren, weigert de dienst burgerzaken om het huwelijk te erkennen. Volgens de stad Gent voldoet de huwelijksakte niet aan de legalisatievoorwaarden zoals voorgeschreven in artikel 30 §1 WIPR. Het gevolg is dat de betrokkenen als ‘niet verwant’ worden geregistreerd. Bovendien heeft de weigeringsbeslissing tot gevolg dat voor hun dochtertje, geboren in 2015 in België, enkel de afstamming van de moeder wordt genoteerd. Verder wordt de erkenning van huwelijksakte overeenkomstig artikel 27 §1 WIPR niet in vraag gesteld. Het koppel tekende beroep aan tegen de weigeringsbeslissing tot registratie door de stad Gent.

Rechtbank van eerste aanleg te Gent

Wanneer de stukken voor de rechtbank worden voorgelegd, oordeelt deze dat de huwelijksakte voldoet aan de vereisten inzake legalisatie, omdat ze werd gelegaliseerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De rechtbank oordeelt:

de huwelijksakte dient in eerste instantie te worden gelegaliseerd door de centrale autoriteiten in het land van herkomst. Dit gebeurde door het Ministerie van Justitie van Somalië en door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In casu echter kan de huwelijksakte niet worden gelegaliseerd door een diplomatiek ambtenaar omdat Somalië een land in burgeroorlog is, en er aldaar geen ambassades zijn. De huwelijksakte werd wel gelegaliseerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zodat zij voldoet aan de vereisten voor legalisatie.”

Bespreking

De weigeringsbeslissing van de stad Gent heeft dus verregaande consequenties voor een huwelijk dat reeds als basis voor een procedure gezinshereniging diende én waarvan enkel de legalisatievereiste in vraag werd gesteld. De rechtbank gaat hier over tot een eenvoudige toetsing aan de bewoordingen van artikel 30 WIPR. Artikel 30 §2 WIPR bepaalt namelijk dat de legalisatie wordt gedaan :

1° door een Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaar die geaccrediteerd is in de Staat waar de beslissing is gewezen of de akte is opgesteld;

2° bij gebreke hiervan, door een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de buitenlandse Staat die de belangen van België in die Staat behartigt;

3° bij gebreke hiervan, door de Minister van Buitenlandse Zaken.

In de eerste plaats is legalisatie een bevoegdheid van de Belgische consulaten en ambassades in het land van herkomst. Wanneer er uitzonderlijk geen Belgische ambtenaar bevoegd is om over te gaan tot legalisatie in een bepaald ambtsgebied, kan de legalisatie worden gevraagd bij een consulaat dat de belangen van België behartigt. Indien er ten slotte geen Belgische, noch een buitenlandse post gemachtigd is om documenten te legaliseren, is de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd om het document te legaliseren. Het is de dienst Legalisaties binnen de Algemene Directie consulaire zaken bij de FOD Buitenlandse Zaken die hiervoor bevoegd is.

Tot voor kort beperkte deze dienst zich in de regel tot het afleveren van negatieve attesten van legalisatie, certificaten die als doel hebben om de onmogelijkheid te bevestigen om zich tot wie dan ook te wenden voor een verzoek tot legalisatie, omwille van:

  • een toestand van oorlog,- een situatie van chaos of
  • de afwezigheid van een centrale overheid

Een dergelijk negatief attest levert het onweerlegbaar bewijs van de overmacht die de betrokken persoon verhindert om zijn legalisatievereiste te vervullen. In zo een geval van overmacht is het dan ook aan de rechter of de administratie aan wie de erkenning van een document wordt gevraagd, om zich persoonlijk uit te spreken over de authenticiteit ervan, rekening houdend met de elementen van een dossier .

Momenteel worden er echter niet langer negatieve attesten van legalisatie afgeleverd. De FOD Buitenlandse Zaken haalt aan dat deze attesten in de praktijk tot verwarring leidden. Maar er bestaat geen twijfel over het feit dat het nog altijd onmogelijk is om een legalisatie te bekomen van Somalische, en sinds kort ook Jemenitische, documenten. Het feit dat er geen negatief attest van legalisatie meer wordt gegeven voor documenten uit deze landen, verandert hier niets aan.

In deze zaak over de Somalische huwelijksakte beperkt de Minister zich niet tot het louter attesteren van de onmogelijkheid, maar gaat hij effectief over tot de legalisatie. Een dergelijke legalisatie door de Minister van Buitenlandse Zaken is een betekenisvolle stap in het wegnemen van de onduidelijkheid voor documenten die onmogelijk op een andere manier te legaliseren zijn. Deze handelswijze zorgt er namelijk ontegensprekelijk voor dat er voldaan wordt aan de legalisatievereiste, en de rechter of de ambtenaar oordeelt niet langer of het in de concrete situatie opportuun is om van de legalisatievereiste af te wijken. In die zin is het vonnis dan ook een logische toepassing van artikel 30 WIPR. Deze wijze van legalisatie door het Ministerie van Buitenlandse Zaken komt in de praktijk niet veel voor.

Problemen bij niet-legalisatie 

In de praktijk komt het vaker voor dat personen een niet-gelegaliseerd buitenlands document ter erkenning voorleggen aan een Belgische overheidsinstantie. Vraag is welk gevolg men moet geven aan dit document als de persoon in kwestie kan aantonen dat hij door overmacht verhinderd is om te voldoen aan de legalisatievereiste zoals bepaald door artikel 30 Wetboek IPR. Als men redelijkerwijze niet kan verwachten om aan de legalisatievoorwaarde van artikel 30 WIPR te voldoen, zou het mogelijk moeten zijn om de inhoud van het document op een andere manier te bewijzen. Zeker als het gaat om zoiets fundamenteels als iemands burgerlijke staat.

De legalisatieprocedure leent zich bovendien enkel tot een verificatie van de formele geldigheid van het document, het zegt verder niets over de waarachtigheid van de feiten die erin zijn opgenomen. De legalisatie betreft dus maar een klein deelaspect van de conflictenrechtelijke controle van de administratieve overheid die gevraagd wordt zich te uit te spreken over de geldigheid of bewijskracht van een buitenlandse document. Hoe men dan aan het gebrek aan formele validatie tegemoet moet komen, is echter erg onzeker.

De beslissing om voorlopig geen negatieve attesten meer af te leveren, biedt daarop helaas geen soelaas, eerder integendeel. De beslissing is ingegeven door de bezorgdheid om verdere verwarring te voorkomen. Het gevolg is echter dat in feite net daardoor alle partijen met een nog grotere onzekerheid geconfronteerd worden, en dat geldt voor zowel de betrokkenen als voor de administratieve overheid. Voor een administratieve overheid is het uiteraard moeilijk om een beslissing te nemen indien zelfs het Ministerie van Buitenlandse Zaken terzake geen richtlijn kan bieden.

De rechtsonzekerheid die dit creëert, raakt bovendien aan fundamentele belangen: iemands burgerlijke staat, iemands identiteitsgegevens, … de staat van een persoon is rechtstreeks verbonden met de openbare orde. Hoe langer een dergelijke onzekerheid duurt, hoe meer gevolgen het ook telkens zal hebben. In bovenstaand geval heeft de weigeringsbeslissing gevolgen voor de opmaak van de geboorteakte van hun kind. Nu het huwelijk na de opmaak daarvan wél wordt erkend door de rechtbank, dient de afstammingsband alsnog gecorrigeerd te worden. Volgens de huidige stand van zaken moeten de betrokkenen zélf de procedure tot verbetering van een akte van de burgerlijke stand voeren, ook al is er sprake van een manifeste fout door de gemeente. Hoe dan ook is de rechtzetting van eventuele geboorteaktes na een uiteindelijke erkenningsbeslissing een omslachtige werkwijze, het brengt veel extra kosten en werktijd met zich mee. Het is duidelijk dat ook de gemeentes niet gebaat zijn bij een stilzwijgen van de overheid inzake niet-legaliseerbare documenten.