13 september 2018

Door het arrest 18/2018 van het Grondwettelijk Hof (GwH) van 22 februari 2018 zijn erkende staatlozen vrijgesteld van de bijdrage in de administratieve kost (de zogenaamde “retributie”) voor een verblijfsaanvraag zoals voorzien in art. 1/1 § 2 Verblijfswet. De vrijstelling geldt zowel voor een verblijfsaanvraag op basis van artikel 9bis Verblijfswet (humanitaire regularisatie) als voor andere verblijfsaanvragen, zoals gezinshereniging.

Het arrest stelt als dubbele voorwaarde dat het moet gaan om:

  • een erkende staatloze die zijn nationaliteit buiten zijn wil om is verloren en
  • die in geen enkel ander land waarmee hij banden heeft een verblijfsrecht kan bekomen.

In eerdere rechtspraak stelde het GwH al dat het feit dat er voor erkende staatlozen geen specifieke verblijfsprocedure voorzien is, terwijl die er wel is voor erkende vluchtelingen in artikel 49 Verblijfswet, strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien heeft dit tot gevolg dat er voor erkende staatlozen die een verblijfsaanvraag indienen geen vrijstelling van retributie is, terwijl die vrijstelling er wel is voor erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden. Dit onderscheid is volgens het GwH niet redelijk te verantwoorden. Daarom vernietigt het GwH art. 1/1, §2 Verblijfswet, in zoverre er niet voorzien wordt in een vrijstelling van retributie voor een verblijfsaanvraag door een erkende staatloze.

Uit instructies van DVZ aan de gemeenten volgt dat elke staatloze die erkend is door de familierechtbank vrijgesteld wordt van bijdrage in de administratieve kost, voor elk soort verblijfsaanvraag.

In ons ouder nieuwsbericht ‘Bijdrage in administratieve kost voor verblijfsaanvragen vanaf 2 maart 2015’ kan je nagaan welke administratieve kost bij welke verblijfsaanvraag hoort, en welke uitzonderingen er bestaan.