16 november 2017

Bij het nemen van een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV), moet de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) toetsen. De toetsing van artikel 3 EVRM houdt volgens de Raad van State (RvS) echter geen uitdrukkelijke motiveringsplicht in (RvS nr. 238.570 van 20 juni 2017).

Feiten

Een Servisch-Kosovaars koppel ging in beroep tegen de onontvankelijkverklaring van een 9ter aanvraag en het ermee gepaard gaande BGV.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) vernietigde beide beslissingen wegens respectievelijk een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht. Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) stelde hiertegen beroep in bij de Raad van State (RvS).

RvS nr. 238.570

De RvV had in zijn vernietigingsarrest nr. 157.376 geoordeeld dat:

  • artikel 3 EVRM dat een verbod op foltering en onmenselijke behandeling inhoudt, een uitdrukkelijke motivering in het BGV vereist en
  • er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM bij het ontbreken van een dergelijke motivering.

De RvS is het daar niet mee eens: de toetsing van artikel 3 EVRM houdt geen bijzondere motiveringsplicht in. De RvV moet desgevraagd beoordelen of er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM op basis van:

  • de door de partijen verstrekte informatie en het administratief dossier en  
  • niet enkel de motivering van het BGV.

De RvS vernietigt het annulatiearrest van de RvV in de mate dat het de twee uitwijzingsbevelen vernietigde. Volgens de RvS heeft de RvV artikel 3 EVRM geschonden door:

  • aan te nemen dat artikel 3 EVRM een uitdrukkelijke motivering in het BGV vereist en
  • te besluiten tot een schending van artikel 3 EVRM bij de loutere vaststelling dat een dergelijke motivering in het BGV ontbreekt, zonder verder onderzoek van het dossier.