4 juni 2019

In arrest nummer 219.546 van 8 april 2019 erkent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) een Palestijn uit de Gazastrook als vluchteling, omwille van de voortdurende toestand van geweld en onveiligheid, systematische schendingen van fundamentele mensenrechten, en de onmenselijke en vernederende behandeling van de burgerbevolking van Gaza. Daardoor bevindt de betrokkene zich in een situatie van ernstige onveiligheid, die hem verhindert de bijstand van UNRWA te genieten. UNRWA kan hem er onmogelijk de levensomstandigheden bieden die stroken met haar opdracht.

Feiten en beoordeling door het CGVS

De Palestijnse man is geboren in de Verenigde Arabische Emiraten en geregistreerd bij UNRWA. Tijdens zijn jeugd woont hij in de Gazastrook, daarna verblijft hij voor studies en werk in het buitenland. Hij keert af en toe terug naar Gaza om familie te bezoeken. In 2013 vraagt hij aan zijn oom, die zowel  ziekenhuismanager als regioverantwoordelijke van Hamas is, stage te doen in het ziekenhuis. Zijn oom weigert maar vraagt hem vrijwilliger te worden bij de medische vleugel van de el Qassem brigade, wat hij niet wil. Enkele dagen later neemt de interne veiligheidsdienst hem mee. Hij wordt ondervraagd, vastgebonden en geslagen. Daarna wordt hij vrijgelaten, waarop hij terug naar het buitenland trekt.

Hij doet op 2 februari 2019 een verzoek om internationale bescherming. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) beoordeelt zijn verzoek ten aanzien van de Gazastrook omdat hij enkel daar een verblijfsrecht heeft en omwille van zijn UNRWA-registratie. Op 7 maart 2019, na een versnelde behandeling, neemt het CGVS een beslissing tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus op basis van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag en een weigering van de subsidiaire bescherming, omdat:

  • hij niet aantoont dat hij zich in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid bevindt die hem dwong het mandaatgebied van UNRWA te verlaten;
  • het mandaat van UNRWA niet stopgezet is en zij haar opdracht blijft vervullen;
  • niet alle inwoners van de Gazastrook zich in een situatie van ernstige onveiligheid bevinden. Zijn individuele situatie blijkt behoorlijk in het kader van de lokale context, gezien de studie- en reismogelijkheden waarover hij beschikt. Hij toont geen individuele, concrete en ernstige veiligheidsproblemen of problemen van medische of economische aard waardoor hij een bijzonder risico op een onmenselijke en vernederende behandeling loopt.
  • er geen praktische belemmeringen zijn voor een terugkeer. Hij heeft een geldig paspoort en de grensovergang in Rafah is open. Palestijnen die door Egypte naar de grensovergang reizen, worden niet geviseerd, en er is in de Sinaï geen situatie waar het willekeurig geweld dermate hoog is waardoor burgers louter door hun aanwezigheid een risico lopen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Hamas Palestijnen die terugkeren viseert, louter door hun verblijf in Europa of door het doen van een verzoek om internationale bescherming.

Beoordeling door de RvV

Artikel 55/2 van de Verblijfswet en artikel 12, eerste lid, a) van de Kwalificatierichtlijn verwijzen naar artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag dat bepaalt dat een persoon uitgesloten wordt van de vluchtelingenstatus wanneer:

  • hij de bijstand van UNRWA geniet en
  • zijn positie niet definitief geregeld is in overeenstemming met de relevante resoluties van de algemene vergadering van de VN.

Maar wanneer die bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, moet de persoon van rechtswege als vluchteling worden erkend.

Uit rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (HvJ, zaak El Kott, C-364/11) blijkt dat het niet voldoende is dat een persoon zich buiten het mandaatgebied van UNRWA bevindt of dit gebied vrijwillig verlaten heeft. Asielinstanties moeten de individuele situatie nagaan of de persoon vertrok door redenen buiten zijn wil, waardoor hij de bijstand van UNRWA niet langer kan genieten. Dat is het geval wanneer:

  • hij zich persoonlijk in een situatie van ernstige onveiligheid bevindt en
  • het voor UNRWA onmogelijk is hem in het mandaatgebied de levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee het belast is

Er moet daarbij geen bijkomende beoordeling worden gemaakt onder artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

De RvV stelt vast dat verzoeker niet aantoont dat hij zich op het ogenblik van zijn vertrek in 2013 in dergelijke situatie van ernstige onveiligheid bevond:

  • Zijn verklaringen over de bedreigingen naar aanleiding van het conflict met zijn oom zijn niet aannemelijk.
  • Het is onvoldoende te verwijzen naar de algemene socio-economische, humanitaire en veiligheidssituatie in Gaza. Uit zijn persoonlijke situatie blijkt niet dat hij bij terugkeer in een situatie van extreme armoede zou belanden waardoor hij niet kan voorzien in elementaire levensbehoeften. Hij was in de voorbije jaren in staat om af te studeren als arts, bijkomende opleidingen te volgen en veelvuldig te reizen, dankzij de steun van familie die in Qatar verblijft.

Uit de beschikbare informatie blijkt verder dat het mandaat van UNRWA niet is stopgezet. Het agentschap zet haar opdracht verder en verleent nog steeds bijstand aan Palestijnse vluchtelingen in de Gazastrook.

Volgens UNHCR (Nota over de interpretatie van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag) kunnen, naast persoonlijke vluchtredenen, ook andere omstandigheden ertoe leiden dat de bijstand van UNRWA ophoudt. Juridische, praktische en veiligheidsobstakels kunnen een rol spelen.

Hoewel een terugkeer via de Sinaï en de grens in Rafah praktisch mogelijk en veilig is, moet ook de actuele veiligheidssituatie in de Gazastrook zelf in acht worden genomen. Uit de landeninformatie blijkt dat er sinds de machtsovername door Hamas en de daaropvolgende installatie van de Israëlische blokkade sprake is van:

  • een voortdurende toestand van geweld en onveiligheid
  • systematische schendingen van fundamentele mensenrechten die een ernstige aantasting zijn van de menselijke waardigheid
  • onmenselijke en vernederende behandelingen ten aanzien van de burgerbevolking van Gaza

De verzoeker bevindt zich – als Palestijn in de Gazastrook – actueel in een situatie van ernstige onveiligheid, die hem verhindert de bijstand van UNRWA te genieten. Het is dus onmogelijk voor UNRWA om hem er de levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht.

Op basis van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag moet verzoeker van rechtswege als vluchteling worden erkend.

Bevestiging rechtspraak

In het Franstalig arrest nr. 220.747 van 6 mei 2019 bevestigt de RvV deze rechtspraak.

Hoewel de Palestijnse verzoeker om internationale bescherming hier ook over een UNRWA-registratie beschikt, oordeelde het CGVS dat het verzoek niet onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt. Het CGVS stelt dat volgens het HvJ de persoon effectief de bijstand van UNRWA moet hebben genoten, en dat een loutere registratie niet voldoende is.

De RvV oordeelt dat dit een onvolledige lezing is van de rechtspraak van het HvJ en de richtlijnen van UNHCR. Een bewijs van registratie bij UNRWA is voldoende bewijs van bijstand van dit agentschap. Het is bijgevolg ook in deze zaak noodzakelijk om in het licht van artikel 1D na te gaan of de persoon zich in een situatie van ernstige onveiligheid bevindt en of UNRWA nog in de mogelijkheid is om hem levensomstandigheden te bieden die stroken met haar mandaat.

Met verwijzing naar de argumentatie uit het arrest van 8 april 2019 erkent de RvV ook deze persoon als vluchteling.

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen