4 juli 2018

In arrest nr. 205.104 van 8 juni 2018 verwerpt de Algemene Vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) de vordering tot schorsing tegen een overdrachtbesluit naar Griekenland onder de Dublin III-verordening. De verzoeker in kwestie kon geen bijzondere kwetsbaarheid aantonen en kreeg volgens de Raad voldoende garanties van de Griekse autoriteiten over de toegang tot de asielprocedure en opvang. 

Feiten

Een alleenstaande man van Palestijnse origine was Griekenland binnengekomen met een Schengenvisum afgeleverd door de Griekse autoriteiten. Hij reisde verder en diende op 30 oktober 2017 een verzoek in om internationale bescherming in België. De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) richtte daarop een verzoek tot overname aan de Griekse autoriteiten, die het verzoek aanvaardden. De Palestijn ontving op 16 mei 2018 een beslissing tot weigering van verblijf met een bevel om het grondgebied te verlaten (26 quater) om volgende redenen: 

  • informatie toont aan dat er niet langer sprake is van systematische gebreken in het Griekse asiel- en opvangsysteem die ervoor zouden zorgen dat geen enkele verzoeker naar dit land zou mogen worden teruggestuurd
  • de Europese Commissie beveelt alle Europese lidstaten op 8 december 2016 aan om de overdrachten naar Griekenland onder de Dublin III-verordening progressief te hernemen vanaf 15 maart 2017, onder volgende voorwaarden:
    • er worden garanties geboden op het vlak van toegang tot opvang- en de asielprocedure, 
    • de verzoekers kunnen rekenen op een behandeling conform de Europese regelgeving
    • kwetsbare verzoekers en minderjarigen zullen niet worden overgedragen
    • de Griekse autoriteiten hadden bij het aanvaarden van het overnameverzoek individuele garanties geboden omtrent de opvang van verzoeker in een opvangcentrum, de ontvankelijkheid van zijn verzoek om internationale bescherming en omtrent de informatieverstrekking over de asielprocedure met behulp van een tolk
    • volgens informatie van de Griekse autoriteiten duurt het gemiddeld zes maanden vooraleer een beslissing in eerste aanleg wordt genomen over het verzoek, dit conform de Europese Procedurerichtlijn
    •  er is geen specifieke kwetsbaarheid in hoofde van de verzoeker aangetoond

Beoordeling door de RVV

De RvV oordeelt dat er geen ernstige aanwijzing is van een mogelijke schending van artikel 3 EVRM, artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest), noch van artikel 3 lid 2 van de Dublin III-Verordening, op basis van de volgende elementen:

  • er blijken nog steeds gebreken te zijn in het Griekse asiel- en opvangsysteem maar deze zijn niet van die aard dat elke transfer naar Griekenland een schending zou uitmaken van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Het komt er dus op aan elke zaak individueel te beoordelen, zoals ook de aanbeveling van de Europese Commissie was. 
  • er is geen specifieke kwetsbaarheid aangetoond. Het feit op zich een verzoeker om internationale bescherming te zijn, is niet voldoende om te besluiten tot kwetsbaarheid. Het attest van een psycholoog dat verzoeker voorlegt, is volgens de RvV geen medisch attest en geeft niet aan dat er nog een verdere opvolging nodig is, noch omschrijft het exact de problemen waar verzoeker aan lijdt. De RvV stelt ook vast dat er na drie consultaties geen verdere meer hebben plaats gevonden. De RvV hecht tot slot belang aan het feit dat de problemen niet tijdens de procedure voor DVZ zijn aangehaald. 
  • niets wijst erop dat de garanties die Griekenland geboden heeft omtrent toegang tot de asielprocedure en de materiële opvang niet zullen worden uitgevoerd. De landeninformatie die volgens de verzoeker het tegendeel aantoont, is volgens de RvV niet van toepassing op zijn specifieke zaak, net omwille van de garanties die hij heeft gekregen. Het opvangcentrum waar hij een plaats zou verkrijgen wordt in de aangehaalde landenrapporten niet omschreven.  
  • de landeninformatie die getuigt over de slechte omstandigheden van vluchtelingen die reeds een beschermingsstatuut hebben gekregen, doen volgens de RVvV niet ter zake omdat artikel 3, 2elid van de Dublin III-verordening enkel systematische tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem van verzoekers in procedure vernoemt. 

Tot slot is België volgens de Raad niet verplicht de soevereiniteitsclausule toe te passen, en kon er evenmin een schending van artikel 8 EVRM vastgesteld worden omdat DVZ op het moment van de beslissing niet op de hoogte werd gesteld van de relatie die verzoeker hier in België zegt te hebben. Volgens de RvV laten de elementen in het dossier niet toe een familiaal leven vast te stellen met de betrokken vrouw.De vordering tot schorsing wordt verworpen. 

Gevolgen voor Dublin-overdrachten naar Griekenland?

Er bestaan nog steeds problemen in de asielprocedure en de opvangomstandigheden in Griekenland, maar actueel is er geen sprake meer van systeemfouten die elke overdracht van een asielzoeker naar dit land verhinderen.

Er dient dus telkens te worden overgegaan tot een individueel onderzoek. Bij dit onderzoek kan de Dienst Vreemdelingenzaken, zoals in dit geval gebeurde, zich laten leiden door de voorwaarden die werden vastgelegd door de Europese Commissie in haar aanbeveling van 8 december 2016.

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen