2 mei 2018

In drie arresten van 8 en 9 maart 2018 stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) in verenigde kamers dat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) de Dublin III-verordening en alle daarin vervatte procedures en waarborgen moet toepassen bij overdracht van een vreemdeling in onwettig verblijf aan de Europese lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit geldt ook wanneer de vreemdeling in België geen verzoek om internationale bescherming indient. Het is onwettig om in dit geval een terugkeerbesluit, in toepassing van de Terugkeerrichtlijn, te nemen.

Feiten

In de drie arresten gaat het telkens om derdelanders (Soedan, Eritrea, Irak) die worden aangehouden terwijl zij onwettig op het Belgisch grondgebied verblijven. Geen van hen heeft in België een verzoek om internationale bescherming ingediend. DVZ wou hen overdragen aan de lidstaten waar ze eerder bescherming hadden aangevraagd. Ten aanzien van de Soedanese verzoeker was de internationale bescherming al ten gronde afgewezen door Frankrijk. Voor de Eritrese en Iraakse verzoeker bestond er nog onzekerheid over het stadium waarin de asielaanvraag zich bevond, in respectievelijk Duitsland en Finland. Zij kregen van de DVZ allen een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) bijlage 13septies op grond van artikel 7 van de Verblijfswet (dat de terugkeerrichtlijn omzet), met de uitdrukkelijke vermelding dat de betrokkene ‘in geen geval teruggeleid zal worden naar zijn land van herkomst’. 

De verzoekers betwisten deze rechtsgrondslag. Ze stellen dat DVZ hen wou overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat en daarom een overdrachtsbeslissing moest nemen op basis van de Dublin III-verordening. Dublinoverdrachten zijn volgens de verzoekers immers uitgesloten van de Terugkeerrichtlijn en vallen onder de Dublin III-verordening. 

DVZ meende dat, vanaf het ogenblik waarop de autoriteiten besluiten een Dublinverzoek in te dienen, de toepassing van de Terugkeerrichtlijn wordt opgeschort en enkel de Dublinregels van toepassing zijn. Maar omdat in deze zaken nog geen verzoek tot “overname” werd gericht aan de respectievelijke lidstaten kon volgens DVZ geen beslissing worden genomen in het kader van de Dublin III-verordening, en werd een terugkeerbesluit op basis van de Terugkeerrichtlijn genomen.

Analyse RvV: Dublin III-verordening is een ‘lex specialis’ die voorrang heeft op de Terugkeerrichtlijn

De RvV gaat in de arresten eerst in op de concepten “terugkeer” en “terugkeerbesluit”.

Een "terugkeerbesluit" is volgens de Terugkeerrichtlijn (art. 3.4): “de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld”. 

De Terugkeerrichtlijn definieert "terugkeer” (art. 3.3) als: het proces waarbij een onderdaan van een derde land vrijwillig gevolg geeft aan een terugkeerverplichting of gedwongen terugkeer naar:

  • ofwel zijn land van herkomst 
  • of een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen 
  • ofwel een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten.

Overdrachten naar lidstaten die vallen onder het toepassingsgebied van de Dublin III-verordening zijn bijgevolg uitgesloten van het toepassingsgebied van de Terugkeerrichtlijn  Uit de motivatie van het BGV blijkt duidelijk dat de DVZ de intentie had de verzoekers over te dragen naar de respectievelijke lidstaten waar ze eerder een asielaanvraag hadden ingediend. 

Van zodra een lidstaat besluit het Eurodac-systeem te raadplegen en een concreet aanknopingspunt heeft dat verzoeker een beschermingsverzoek heeft ingediend in een lidstaat waardoor deze aan een andere EU-lidstaat zou kunnen worden overgedragen, kan de lidstaat geen terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel nemen in toepassing van de Terugkeerrichtlijn (artikel 24 Dublin III-verordening). Dit was in alle drie de zaken het geval. Het verzoek om internationale bescherming kan daarbij nog hangende zijn, of ingetrokken of al afgesloten. 

Enkel wanneer vaststaat dat het verzoek om internationale bescherming in een lidstaat bij een definitieve beslissing is afgewezen, kan de DVZ ervoor opteren de Terugkeerrichtlijn toe te passen (artikel 24.4, lid 1 Dublin III-verordening). Maar ook hier is een beperking: eens de keuze is gemaakt een terugnameverzoek te richten aan de eerste lidstaat, en voor zover dit terugnameverzoek niet is verworpen, is de terugkeerrichtlijn niet van toepassing (artikel 24.4, lid 2 Dublin III-verordening). In die gevallen moet dus ook een overdrachtsbesluit worden genomen in overeenstemming met de Dublin III-verordening.

De RvV specifieert daarbij dat de Dublin III-verordening een ‘lex specialis’ is die voorrang heeft op de Terugkeerrichtlijn. Indien men valt onder het toepassingsgebied van de Dublin III-verordening, moet de procedure zoals bepaald in artikel 24 van de Dublin III-verordening worden gerespecteerd. Dit betekent dat DVZ ook de waarborgen uit de Dublin III-verordening moet respecteren zoals onder meer:

  • het recht op informatie,
  • het persoonlijk onderhoud,
  • de waarborgen voor minderjarigen, gezinsleden, afhankelijke personen,
  • de rangorde van de criteria,
  • de termijnen voor terugname- en overnameprocedures,
  • ...

Besluit van de RvV

Een terugkeerbesluit houdt de verwijdering in naar een derde land buiten de Europese Unie, terwijl in geval van een terugname door een lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming enkel een overdrachtsbesluit kan worden genomen. Beide procedures bieden niet dezelfde garanties en brengen niet dezelfde gevolgen mee. Indien de Dublin III-Verordening van toepassing is, is een beslissing die de procedure en de waarborgen van deze Verordening niet eerbiedigt, onwettig. DVZ kan niet naar eigen goeddunken kiezen tussen het nemen van een terugkeerbesluit of het nemen van een overdrachtsbesluit. 

Uitzondering: in het geval dat het verzoek om internationale bescherming van de vreemdeling in het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling ervan definitief is afgewezen, ontstaat er voor de DVZ een keuzemogelijkheid: 

  • ofwel een terugkeerbesluit nemen, naar het land van herkomst of een ander derde land buiten de Europese Unie,
  • of toch de terugname vragen aan het land dat verantwoordelijk was voor het onderzoek van de asielaanvraag. In dat geval is de Dublin III-verordening van toepassing. 
 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen