11 juni 2019

Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) moet er niet langer ambtshalve een F kaart afgeleverd worden aan familie van een Unieburger als Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) geen beslissing neemt binnen zes maanden na de aanvraag gezinshereniging. De RvV laat de Belgische verblijfswetgeving buiten toepassing en baseert zich rechtstreeks op artikel 10 Richtlijn 2004/38/EG (Burgerschapsrichtlijn), zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie (HvJ) in het Diallo-arrest. Hiermee geeft de RvV verticale directe werking aan de Burgerschapsrichtlijn. Maar dat is in strijd met vaste rechtspraak van het HvJ.

RvV

In verschillende recente arresten (RvV 10-10-2018, nr. 210.732; RvV 13-12-2018, nr. 213.977; RvV 8-01-2019, nr. 214.835; RvV 24-01-2019, nr. 215.688) stelt de RvV dat art. 52 §4, tweede lid Verblijfsbesluit, dat voorziet in de ambtshalve afgifte van een F kaart als DVZ geen enkele beslissing neemt binnen zes maanden na de aanvraag gezinshereniging, niet meer toegepast kan worden. Volgens de RvV is dat een gevolg van de Diallo-rechtspraak van het HvJ (HvJ 27 juni 2018, C-246/17, Diallo).

In het Diallo-arrest stelde het HvJ dat de Belgische regeling, waarbij automatisch een verblijfskaart afgegeven wordt aan het familielid van een Unieburger bij het verstrijken van een termijn van zes maanden, haaks staat op de doelstellingen van de Burgerschapsrichtlijn. Een dergelijke regeling maakt het mogelijk dat een verblijfskaart afgegeven wordt aan iemand die niet voldoet aan de voorwaarden. Volgens de RvV is huidig artikel 52 §4, tweede lid Verblijfsbesluit onverzoenbaar met de Diallo-uitspraak en is het onmogelijk om dit artikel richtlijnconform uit te leggen. Bijgevolg rest er volgens de RvV niets anders dan de bepaling buiten toepassing te laten.

In de beroepen behandeld door de RvV ging het om aanvragen gezinshereniging met een Unieburger (op basis van artikel 40bis of 47/1 Verblijfswet) die geweigerd werden meer dan zes maanden na de aanvraag. Omdat de verzoekers niet aantoonden ten gronde te voldoen aan de voorwaarden voor gezinshereniging, wat volgens het HvJ een voorwaarde is, verwierp de RvV de beroepen.

HvJ: richtlijn heeft geen neerwaartse verticale directe werking

Het standpunt van de RvV dat artikel 52 §4, tweede lid Verblijfsbesluit niet langer toegepast kan worden, staat op gespannen voet met vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie. De RvV schuift artikel 52 §4, tweede lid Verblijfsbesluit opzij en geeft een rechtstreekse of directe werking aan artikel 10 Burgerschapsrichtlijn in de Belgische rechtsorde zonder dat dit artikel (correct) omgezet werd in de Belgische verblijfswetgeving. De RvV werpt dit vervolgens op tegen particulieren (= neerwaartse verticale directe werking). Volgens vaste rechtspraak van het HvJ kan een EU-richtlijn uit zichzelf nooit verplichtingen opleggen aan een particulier. Bepalingen van een richtlijn kunnen dus niet rechtstreeks tegen een particulier ingeroepen worden voor of door de nationale rechter (zie onder meer HvJ 10 oktober 2017, Farrell, C‑413/15; HvJ 27 februari 2014, OSA, C‑351/12; HvJ 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C-397/01 tot C-403/01; HvJ 14 juli 1994, Faccini Dori, C‑91/92; HvJ 7 maart 1996, El Corte Inglés, C‑192/94; HvJ 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen, 80/86).

Het HvJ baseert zijn rechtspraak op:

  • Artikel 288 VWEU (oud artikel 249 EG). Dat artikel kent een dwingend karakter toe aan richtlijnen, maar alleen aan ‘elke lidstaat waarvoor zij bestemd is’ en dus niet aan particulieren. Als richtlijnen directe werking zouden hebben ten aanzien van particulieren, zou dit betekenen dat de Unie de bevoegdheid heeft om met onmiddellijke ingang aan particulieren verplichtingen op te leggen, wat zij alleen kan in het kader van haar bevoegdheid om verordeningen vast te stellen (HvJ 14 juli 1994, C-91/92, Faccini Dori).
  • Het principe dat een lidstaat geen voordeel kan halen uit zijn eigen miskenning van het Unierecht. Dit is een toepassing van het beginsel ‘nemo auditur turpitudinem suam allegans’: niemand kan gehoord worden door de rechter wanneer hij zich beroept op zijn eigen ongeoorloofde bedoelingen. Dat was ook het standpunt van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Dendermonde in een vonnis van 29 januari 2019.

Wat indien de gemeente de ambtshalve afgifte weigert?

De weigering tot afgifte van een F kaart na zes maanden kan alleen na een wijziging van artikel 52 §4, tweede lid Verblijfsbesluit. Zolang dat artikel niet aangepast wordt, moeten gemeenten dus nog altijd ambtshalve een F kaart afgeven als DVZ geen beslissing nam over de aanvraag binnen zes maanden. Weigert de gemeente na zes maanden een F kaart af te geven of weigert DVZ de aanvraag na meer dan zes maanden, dan kan de aanvrager tegen deze weigeringsbeslissing een annulatieberoep bij de RvV indienen op basis van artikel 52 §4, tweede lid Verblijfsbesluit.