12 oktober 2017

In verschillende recente arresten vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) de intrekkingsbeslissing van subsidiaire beschermingsstatus voor personen die naar hun land van herkomst terugkeerden en stuurt de zaak terug naar het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS). Zo ook in arrest nr. 191.956 van 13 september 2017 dat we hierna bespreken. De zaak betrof de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus van een Irakees nadat hij een drietal weken naar Bagdad terugkeerde. De RvV vernietigde deze beslissing in omdat het  CGVS kon niet aantonen dat er ab initio geen risico was op ernstige schade. Het CGVS kon ook geen verandering in de algemene veiligheidssituatie in Bagdad aantonen die voldoende ingrijpend is en een niet-voorbijgaand karakter heeft. 

De feiten 

Een Iraakse man verkreeg in 2011 de subsidiaire beschermingsstatus omwille van de toenmalige algemene veiligheidssituatie in Bagdad. In oktober 2016 trok het CGVS deze beschermingsstatus in nadat het CGVS informatie ontving dat de man in januari 2016 een drietal weken naar Bagdad terugkeerde. De Iraakse man ging bij de RvV in beroep tegen de intrekkingsbeslissing van het CGVS. 

Beoordeling RvV 

  • Intrekking subsidiaire beschermingsstatus vereist de afwezigheid van vrees ‘ab initio’

Het CGVS nam de intrekkingsbeslissing op basis van artikel 55/5/1, §2, 2° van de Verblijfswet (Vw). Dit artikel bepaalt onder meer dat het CGVS de subsidiaire beschermingsstatus kan intrekken ten aanzien van de vreemdeling van wie het persoonlijke gedrag erop wijst dat hij geen reëel risico op ernstige schade loopt. Omdat de man naar Irak terugkeerde na toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, meende het CGVS dat zijn persoonlijk gedrag erop wees dat hij geen reëel risico meer liep op ernstige schade.

De RvV grijpt terug naar de memorie van toelichting bij het artikel 55/5/1 Vw. Die memorie verduidelijkt dat het CGVS de subsidiaire beschermingsstatus moet intrekken als het gedrag van de vreemdeling er later op wijst dat hij ‘ab initio’ (van bij het begin) geen vrees koesterde en daardoor wordt bewezen dat de status hem indertijd ten onrechte werd toegekend. De memorie van toelichting verwijst uitdrukkelijk naar de vrees ‘ab initio’. De toekenning van de status ‘indertijd’ vraagt een beoordeling ex tunc wanneer het CGVS later overweegt om de subsidiaire beschermingsstatus in te trekken. 

Het CGVS kende in 2011 aan de Iraakse man de subsidiaire beschermingsstatus toe omwille van de toenmalige algemene veiligheidssituatie in Bagdad. De Iraakse man keerde in januari 2016 terug naar Irak om zijn zieke moeder te bezoeken. Dit toont niet aan dat er ab initio geen reëel risico voor de man aanwezig was op het lijden van ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De RvV verduidelijkt dat niet de individuele situatie van de Iraakse man maar wel de algemene veiligheidssituatie in Bagdad ertoe leidde dat het CGVS toen de subsidiaire beschermingsstatus toekende. 

  • Opheffing subsidiaire beschermingsstatus: heeft de wijziging van veiligheidssituatie een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter?

De RvV onderzoekt verder ook of artikel 55/5 van de Verblijfswet op deze zaak van toepassing kan zijn:

De subsidiaire beschermingsstatus die werd toegekend aan een vreemdeling wordt opgeheven wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire beschermingsstatus werd verleend, niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is. Er dient hierbij te worden nagegaan of de verandering van de omstandigheden die hebben geleid tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om het reële risico op ernstige schade weg te nemen.

Het CGVS besloot in de intrekkingsbeslissing dat er in Bagdad actueel geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van het willekeurig geweld zo hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de Iraakse man louter door zijn aanwezigheid in Bagdad een reëel risico loopt op een ernstige bedreiging van zijn leven of zijn persoon.

Het CGVS zou dus mogelijks de subsidiaire beschermingsstatus kunnen opheffen op basis van artikel 55/5 op voorwaarde dat:

  • de algemene veiligheidssituatie in Irak zodanig gewijzigd is dat subsidiaire beschermingsgronden niet langer bestaan.
  • die verandering van veiligheidssituatie een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft. 

De RvV geeft aan dat de motivering van het CGVS waarbij de situatie in Bagdad niet meer van die aard is dat de Iraakse man een reëel risico loopt blootgesteld te worden aan een ernstige bedreiging van zijn leven of zijn persoon de RvV niet toelaat te oordelen of deze omstandigheden ‘voldoende ingrijpend’ zijn en een ‘niet-voorbijgaand karakter’ hebben. De RvV heeft niet de nodige onderzoeksbevoegdheid om de wijziging van de veiligheidssituatie in Bagdad verder te onderzoeken. De RvV vernietigt dan ook de intrekkingsbeslissing van het CGVS en stuurt de zaak terug naar het CGVS. 

Gelijkaardige arresten 

In arrest nr. 191.960 en arrest nr. 191.961 van 13 september 2017, vernietigt de RvV de intrekkingsbeslissingen van het CGVS. Het CGVS trok in beide zaken de subsidiaire beschermingsstatus in. De RvV volgt een gelijkaardige redenering als in het arrest 191.956 om de beslissingen van het CGVS te vernietigen en stuurt de zaken terug naar het CGVS. 

 
Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen