23 april 2019

Dat besliste de familierechtbank van Antwerpen in een vonnis van 12 december 2018. De rechtbank volgt hierbij een soepele rechtsleerinterpretatie. Deze stelt dat als de vrouw volgens het toepasselijke recht ook de mogelijkheid heeft op haar initiatief te scheiden, er geen sprake kan zijn van een “eenzijdige wilsverklaring van de man om het huwelijk te ontbinden, zonder dat de vrouw eenzelfde recht heeft” (artikel 57, §1 Wetboek Internationaal Privaatrecht).

De feiten

Betrokkene legt een Marokkaanse echtscheidingsakte voor aan de ambtenaar van burgerlijke stand. Het gaat om een eenzijdige verbreking van het huwelijk door de man, een verstoting. De ambtenaar van burgerlijke stand beslist om de huwelijksontbinding niet te erkennen op grond van artikel 57 Wetboek IPR. Betrokkene vraagt vervolgens de erkenning van de Marokkaanse huwelijksontbinding aan de familierechter in een procedure op eenzijdig verzoekschrift volgens artikel 23 Wetboek IPR.

Artikel 57 Wetboek IPR en beoordeling door de rechtbank

De rechtbank bevestigt dat het in deze zaak wel degelijk gaat om een verstoting.

Artikel 57, §1 Wetboek IPR bepaalt dat “een in het buitenland opgestelde akte die de wilsverklaring van de man om het huwelijk te ontbinden vaststelt, zonder dat de vrouw eenzelfde recht had, in België niet kan worden erkend”. Een erkenning van een huwelijksontbinding die valt onder deze definitie, is enkel mogelijk als de akte voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 57, §2 Wetboek IPR:

  • de verstoting werd gehomologeerd door de rechtbank
  • geen van de echtgenoten had de nationaliteit van een land dat de verstoting niet kent op het moment van de homologatie
  • geen van de echtgenoten had zijn gewone verblijfplaats in een land dat de verstoting niet kent op het moment van de homologatie
  • de verstoting werd op ondubbelzinnige wijze aanvaard door de echtgenote.

Deze voorwaarden zijn echter zeer strikt en als één van de voorwaarden niet voldaan is, kan de huwelijksontbinding nooit worden erkend in België.

De rechtbank wijst er op dat een groot deel van de rechtsleer de klassieke talaq-verstoting van het Marokkaans Familiewetboek wel degelijk als een verstoting beschouwt die valt onder artikel 57 Wetboek IPR en alleen kan worden erkend als er voldaan is aan de strenge, cumulatieve voorwaarden van artikel 57§2 Wetboek IPR.

Maar de rechtbank schaart zich achter een soepeler rechtsleerinterpretatie en werpt op dat de vrouw in het Marokkaanse Familiewetboek ook zelf het initiatief kan nemen om uit de echt te scheiden, via een procedure op basis van duurzame ontwrichting. Deze echtscheidingsmogelijkheid kan als een evenwaardig tegenwicht voor het verstotingsrecht van de man worden beschouwd, zodat in het Marokkaanse echtscheidingsrecht eigenlijk geen enkele huwelijksontbinding nog kan vallen onder het toepassingsgebied van het artikel 57 Wetboek IPR.

Opmerkingen bij legalisatie

Tot slot wijst de familierechter op het feit dat er door Buitenlandse Zaken soms te vlug een verwijzing naar artikel 57 Wetboek IPR wordt aangebracht bij de legalisatie van Marokkaanse echtscheidingsaktes, zonder een grondig onderzoek naar de werkelijke aard van de echtscheiding. Het risico bestaat hierdoor dat deze opmerking zonder meer wordt overgenomen door de burgerlijke stand. Men mag echter de ratio legis van het artikel niet uit het oog verliezen, namelijk het beschermen van de gelijkheid man-vrouw. De gevolgen van een Marokkaanse huwelijksontbinding moeten worden erkend wanneer:

  • er een rechterlijke goedkeuring voor de opmaak van de echtscheidingsakte werd gegeven, na een tegensprekelijke procedure met respect voor de rechten van verdediging  en na een verzoeningspoging, en
  • er werd gewaakt over de economische situatie van de echtgenote.