1. Meer info over het nieuwe wetboek van de Belgische nationaliteit

  • De nieuwe nationaliteitswet sinds 1 januari 2013 is nu ook toegelicht in een omzendbrief. 
  • Een KB somt de landen op waar de akte van geboorte niet of moeilijk te verkrijgen is en waarvoor een consulair attest aanvaard wordt: Afghanistan, Angola (enkel enclave Kabinda), Somalië en Zuid-Soedan.
  • Kruispunt M-I geeft enkele vormingen over de nationaliteitswet. 

Omzendbrief

Op 14 maart 2013 werd de langverwachte omzendbrief van 8 maart 2013 betreffende bepaalde aspecten van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Deze omzendbrief vervangt de vorige omzendbrieven (met name die van 25/04/2000, 20/07/2000, 25/05/2007).

De omzendbrief verduidelijkt enkele zaken op inhoudelijk en procedureel vlak, maar is voor een groot deel herhaling van de wet, de KB’s en de voorbereidende werken.

We zetten hieronder de belangrijkste verduidelijkingen op een rijtje:

 

Geboorteakte

In het KB van 17 januari 2013 worden de landen opgesomd waar het bekomen van een geboorteakte onmogelijk is of op zware moeilijkheden botst. Het gaat om Afghanistan, Angola (enkel de enclave Cabinda), Somalië en Zuid-Soedan. Onderdanen van deze landen moeten niet aantonen dat het onmogelijk of zeer moeilijk is om een geboorteakte te bekomen, voor hen wordt dit aanvaard. Zij kunnen een geboorteattest van de diplomatieke of consulaire overheden voorleggen. Indien zij ook zware moeilijkheden ondervinden om zo’n document te bekomen, én dat kunnen aantonen, kunnen zij het geboorteattest vervangen door een akte van bekendheid. 

De omzendbrief benadrukt dat men het veelvuldig beroep op de consulaire attesten wil inperken door de verwijzing naar de akte van bekendheid te veralgemenen. De begrippen ‘onmogelijkheid’ of ‘zware moeilijkheden’ om een geboorteakte te bekomen moeten strikt geïnterpreteerd worden. Men geeft als voorbeeld dat de materiële onmogelijkheid (zoals de hoge kostprijs om naar zijn herkomstland terug te keren) niet voldoende is. Het gaat hier dus niet om de onderdanen van de vier landen waarvoor de onmogelijkheid aanvaard wordt.

 

Ononderbroken wettelijk verblijf – afvoering van ambtswege

Tijdelijke afwezigheden (van max. 6 maanden, voor zover de totale duur van de afwezigheden 1/5 van de vereiste periode van wettelijk verblijf niet overschrijdt) onderbreken het verblijf niet. Het gaat dan om verblijf in het buitenland om privéredenen, om redenen van professionele aard of voor het volgen van een opleiding.

De omzendbrief verduidelijkt dat een afvoering van ambtswege uit het rijksregister gelijkgesteld wordt met een onderbreking van verblijf (tenzij het gaat om een administratieve vergissing). De vereiste wettelijke verblijfsduur begint dus opnieuw vanaf nul, vanaf de dag van de herinschrijving in het rijksregister. 

Administratieve onderbrekingen in de verblijftitels onderbreken de termijn niet voor zover het verblijfsrecht al werd toegekend door de bevoegde overheid en enkel het verblijfsdocument niet op tijd werd vernieuwd. Er is op dat moment immers geen probleem met het verblijfsrecht van de betrokkene.

 

Toekenning Belgische nationaliteit door gezamenlijk gevolg van een akte van verkrijging (art. 12) - overgangsbepalingen

De nieuwe wet is van toepassing sinds 1 januari 2013. Voor de toepassing van het oude dan wel het nieuwe art. 12 WBN geldt het moment van de verkrijging van de Belgische nationaliteit door de ouder (of adoptant). De oude wet blijft dus van toepassing op minderjarige kinderen (ongeacht of zij hun hoofdverblijfplaats in België of in het buitenland hebben) waarvan de ouder de nationaliteit verkreeg vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

 

Art. 12bis, §1, 4° WBN – pensioengerechtigde leeftijd

De omzendbrief stelt nog eens duidelijk dat 65 jaar de pensioengerechtigde leeftijd is.

 

Art. 12bis, §1, 5° WBN – deelname aan het leven van zijn onthaalgemeenschap

De omzendbrief somt een aantal bewijzen op die kunnen duiden op ‘deelname aan het leven van zijn onthaalgemeenschap’. Het gaat o.a. om het feit in België naar school te zijn geweest, een beroepsopleiding te hebben gevolgd, een actieve betrokkenheid te hebben gehad bij het Belgische verenigingsleven, deelname aan onthaal- en integratietrajecten, jarenlange uitoefening van een beroepsactiviteit in België, enz. De bewijzen die men als voorbeeld aanhaalt, komen zeer sterk overeen met de bewijzen die gevraagd worden in de andere categorieën van art. 12bis WBN in het kader van maatschappelijke integratie en economische participatie.

De omzendbrief benadrukt dat de 'onthaalgemeenschap' niet gelijkgesteld kan worden met de in België gevestigde gemeenschap van herkomst van de betrokken persoon.

 

Economische participatie – het in mindering brengen van de duurtijd van een opleiding

De duur van een gevolgde beroeps-, universiteits- of schoolopleiding kan in mindering gebracht worden van de vereiste duur van de beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige, voor zover de opleiding voltooid werd of er een diploma of getuigschrift behaald werd. De omzendbrief verduidelijkt hoe de duur van opleidingen omgezet kan worden:

  • Indien een diploma hoger secundair onderwijs wordt voorgelegd: een schooljaar telt gemiddeld 182 lesdagen. Deze dagen kunnen naar gelang het geval in mindering gebracht worden van de vereiste 468 arbeidsdagen.
  • Indien een diploma hoger onderwijs (bachelor of master) wordt voorgelegd: een schooljaar met volledig leerplan telt 60 credits en één credit stemt overeen met 30 uren leerarbeid. Voor een volledig schooljaar wordt het aantal uren leerarbeid dus op 1800 geschat. Een voltijdse werkweek in België telt 38 uren, dus 7,6 uur per dag. 1800 uren leerarbeid komt dus overeen met  236 arbeidsdagen.

Procedure – rol van de ambtenaar van de burgerlijke stand

De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft, vanaf de verklaring, 30 dagen de tijd om na te gaan of de nodige stukken toegevoegd zijn. De ambtenaar mag de geldigheid van de stukken niet beoordelen, dat is de rol van het parket die binnen de 4 maanden een advies moet uitbrengen. 

De omzendbrief geeft volgend voorbeeld. Voor het nagaan van de economische participatie (art. 12 bis, §1, 2° WBN), moet de ambtenaar van de burgerlijke stand nagaan of de stukken ter staving van de 468 arbeidsdagen prima facie aanwezig zijn. Als de ambtenaar van de burgerlijke stand opmerkt dat de voorgelegde documenten onmiskenbaar minder arbeidsdagen aantonen dan de vereiste 468 dagen, kan hij die documenten wel weigeren.

Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

2. Vlaamse middelen voor volwassenenonderwijs mogen beperkt blijven tot vreemdelingen met wettig verblijf

Sinds het schooljaar 2011-2012 moeten vreemdelingen die zich willen inschrijven in het volwassenenonderwijs in Vlaanderen bewijzen dat ze wettig in België verblijven. Het Grondwettelijk Hof wees een beroep tegen het decreet op het volwassenenonderwijs af, in zijn arrest van 14 maart 2013.

 

Het Grondwettelijk Hof vertrekt van het uitgangspunt dat de (Vlaamse) wetgever inspanningen en middelen mag voorbehouden aan mensen die definitief of op zijn minst voor betekenisvolle duur in België gevestigd zijn. De wetgever mag hierbij het administratief statuut van de persoon als uitgangspunt nemen. De inspanningen en middelen kunnen betrekking hebben op persoonlijke ontwikkeling, maatschappelijk functioneren, verder deelnemen aan onderwijs, het uitoefenen van een beroep en bevordering van taalbeheersing.

Het Grondwettelijk Hof gaat in dit arrest niet verder in op de noodzakelijkheid of proportionaliteit van de uitsluiting van mensen zonder wettig verblijf uit het volwassenenonderwijs. Het Hof overweegt wel:

  • De decreetgever gaf aan het begrip "wettig verblijf" een ruime invulling. Ook personen met een geldig verblijfsdocument die zich nog in een verblijfsprocedure bevinden, zonder dat er reeds een definitieve beslissing hierover is genomen, worden beschouwd als personen met een "wettig verblijf" in België.
  • Het gaat niet om een verbod van onderwijs. De Centra voor Basiseducatie en de Centra voor Volwassenenonderwijs kunnen 'contractonderwijs' aanbieden aan onwettig verblijvende cursisten. De cursist zelf of een externe partij kan dan de financiering van het onderwijs op zich nemen. Hierbij geldt dan een bijkomende voorwaarde: dergelijk onderwijs moet volledig boekhoudkundig gescheiden zijn van het volwassenenonderwijs dat door de gemeenschap gesubsidieerd wordt.

>> Meer info over de voorwaarde van wettig verblijf in het volwassenenonderwijs 

 

Bron:

Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

3. Bijlage 15 en bijlage 19ter zijn wettig verblijf voor aanvraag werkloosheidsuitkering

De RVA beschouwt een geldige bijlage 15 en een bijlage 19ter als bewijs van wettig verblijf voor het aanvragen van een werkloosheidsuitkering. Naast de voorwaarde van wettig verblijf moet de vreemde werknemer ook aan de andere, algemene voorwaarden voldoen om recht te openen op een werkloosheidsuitkering.

 

Voorwaarde van ‘wettig verblijf’
De voorwaarde van wettig verblijf vinden we terug in artikel 7, § 14 en § 15 van de Besluitwet van 28 december 1944. Om recht te hebben op een werkloosheidsuitkering geldt het volgende:

  • De vreemde werknemer moet voldoen aan de wetgeving over het verblijf van vreemde werknemers
  • De vreemde werknemer moet voldoen aan de wetgeving over de tewerkstelling van vreemde werknemers
  • Het werk zelf, dat men in België heeft verricht, moet uitgevoerd zijn in regel met de wetgeving over het verblijf en de tewerkstelling van vreemde werknemers

Bijlage 15
Een vreemde werknemer met een bijlage 15 voldoet tot aan de einddatum van de bijlage aan de wetgeving over het verblijf van vreemde werknemers. Dit bewijs voegt de werkloze toe aan de uitkeringsaanvraag. Voor de duur van de bijlage 15 kan een vernieuwing of verlenging van de arbeidskaart B worden toegestaan zodat de werknemer voldoet aan de wetgeving over de tewerkstelling van vreemde werknemers.
Artikel 7, § 15 van de Besluitwet van 28 december 1944 stelt dat de werkloze zijn uitkering verliest zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen. De RVA neemt aan dat de arbeidskaart B vervalt wanneer de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt. Dus zal de uitkering stoppen 60 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit geldt niet echter voor de werknemers die zonder arbeidsmarktonderzoek toegang hebben tot de volledige arbeidsmarkt, zoals Roemenen of Bulgaren na één jaar ononderbroken werk. 

 

Bijlage 19ter
Een vreemde werknemer met een bijlage 19ter voldoet, voor zover er geen negatieve beslissing is over de gezinsherenigingsaanvraag, ook aan de wetgeving over het verblijf van vreemde werkenemers. Deze familieleden van Belgen of EU-burgers kunnen hun gezinstoestand verduidelijken in de rubriek ‘mijn gezinstoestand’ van het formulier C1 (aangifte van de persoonlijke en familiale toestand) en eventueel een kopie van de bijlage 19ter bijvoegen. De echtgenote van een Belg is van rechtswege vrijgesteld van een arbeidskaart. De andere familieleden van een Belg of Unieburger zijn vrijgesteld voor zover zij zich vestigen of komen vestigen samen het hem.

 

Bronnen

Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

4. Uitwijzingsbevel aan minderjarige kinderen moet motiveren waarom zij hun uitgeprocedeerde moeder volgen in plaats van hun erkende vader

Een Afghaanse vader werd erkend als vluchteling, voor zijn Russische vrouw werd de asielprocedure negatief afgesloten. Zij kreeg een bevel om het grondgebied te verlaten, waarop ook de kinderen werden vermeld. Het uitwijzingsbevel motiveerde niet waarom de kinderen het statuut van hun moeder volgden en niet van hun vader. De Raad van State stelt een schending van de motiveringsplicht vast.

 

Beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

De moeder stelde tegen het uitwijzingsbevel een vordering tot schorsing en beroep tot nietigverklaring in bij de RvV, eenmaal in eigen naam en daarnaast voor de kinderen. De RvV besliste deze zaken samen te voegen en verwierp het beroep.

De RvV stelt dat een beslissing die genomen wordt na afsluiting van een asielprocedure niet moet motiveren waarom verzoekster en haar kinderen niet het statuut van erkend vluchteling krijgen. Dat valt buiten de bevoegdheid van de DVZ.

Verzoekster benadrukte dat enkel zij, en niet haar kinderen, een negatieve beslissing inzake haar asielprocedure had gekregen. Toch kregen haar dochters  ook een bevel om het grondgebied te verlaten.

In haar memorie van antwoord antwoordde de Belgische staat dat de kinderen de moeder volgden omdat:

  • ze bij de registratie van de asielprocedure hadden opgegeven de Russische nationaliteit te bezitten en dus nooit een vrees voor vervolging ten aanzien van Afghanistan kunnen inroepen
  • verzoekster nooit eerder had opgeworpen dat de kinderen bij de vader moesten horen en niet had moeten wachten tot aan de beslissing tot bevel om het grondgebied te verlaten.

Beroep bij de Raad van State

De moeder vocht het arrest van de RvV aan bij de Raad van State.

Verzoekster haalde aan dat haar kinderen een eigen motivering hadden ten opzichte van het bevel en dat deze helemaal over het hoofd werd gezien. Verzoekster stelde dat de Russische nationaliteit van de kinderen niet aangetoond was en dat de kinderen niet werden vermeld in de beslissing die het statuut van vluchteling en subsidiaire bescherming weigerde. Bovendien motiveerde de uitwijzingsbeslissing niet waarom de kinderen het statuut van hun moeder volgden en niet dat van hun vader.

De Raad van State is akkoord gegaan met dit laatste argument. Volgens de rechter vormen de overwegingen in het bestreden arrest geen antwoord op de concrete kritiek tegen het bestreden bevel wat betreft verzoeksters kinderen. De zaak werd terug verwezen naar de RvV.

 

Bron:

  • RvS nr. 221.809, 18 december 2012 

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen

5. Recht op financiële steun bij niet (tijdig) aanmelden in open terugkeerplaats

De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) gaf toelichting bij de rechten van (afgewezen) asielzoekers die toegewezen zijn aan een open terugkeerplaats maar die daar niet verblijven.

 

Asielzoekers die een negatieve beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) krijgen, en asielzoekers die een beslissing van niet-inoverwegingname wegens veilig herkomstland van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen (CGVS) krijgen, worden toegewezen aan een open terugkeerplaats (OTP).

De (afgewezen) asielzoeker moet zich daar ten laatste de 3de werkdag na de betekening van die toewijzing aanbieden. Als hij dat niet doet, wordt zijn toewijzing OTP in principe veranderd in een code 207 no show en heeft hij dus enkel nog recht op medische begeleiding door Fedasil (zolang hij nog recht heeft op opvang).

 

Door de hoge werklast van de Dispatching, wordt die wijziging van de toewijzing OTP in een code 207 no show niet altijd doorgevoerd. Wanneer het OCMW een hulpvraag krijgt van een (afgewezen) asielzoeker met een code 207 OTP die niet in de open terugkeerplaats verblijft, ontstaat er wel eens twijfel over de rechten van de (afgewezen) asielzoeker.

  • De toewijzing aan een OTP is echter te behandelen als een gewone toewijzing aan een opvangstructuur. Het OCMW moet dus nagaan of de (afgewezen) asielzoeker nog recht op materiële opvang heeft.
  • Concreet, als de bijlage 13quinquies, betekend na de negatieve beslissing van de RvV, nog niet verstreken is, heeft de asielzoeker nog recht op materiële opvang en heeft hij geen recht op financiële steun.
  • Hij kan zich altijd opnieuw bij de Dispatching aanbieden om in een OTP opgevangen te worden. De code 207 OTP is nog geldig.
  • Als de bijlage 13quinquies wel verstreken is, is er in principe geen recht meer op materiële opvang. In principe want de (afgewezen) asielzoeker kan misschien nog een ander recht op materiële opvang laten gelden (bijvoorbeeld een in overweging genomen tweede asielaanvraag enz.). Als er geen recht op materiële opvang meer is, moet het OCMW (van de feitelijke gewoonlijke verblijfplaats) nagaan of de (afgewezen) asielzoeker recht heeft op maatschappelijke dienstverlening (legaal verblijf) of op dringende medische hulp.

Bericht van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (M-Weter 2013 nr.2)

 

6. Vrijwillige opheffing code 207 ook mogelijk in geval van verzadiging netwerk Fedasil

Na een arrest van 26 november 2012 heeft het Hof van Cassatie zich op 7 januari 2013 opnieuw uitgesproken over de bevoegdheidsverdeling tussen Fedasil en het OCMW. Ditmaal gaat het om een asielzoekster die een vrijwillige opheffing code 207 had verkregen op basis van een tijdelijke instructie van Fedasil, met een getekende huurovereenkomst. Zij vroeg op die basis OCMW-steun.

  • Het OCMW en de Arbeidsrechtbank van Brussel hadden de OCMW-steun geweigerd omdat de instructie van Fedasil onwettelijk zou zijn, omdat zij niet gebaseerd was op de persoonlijke situatie van de asielzoeker maar wel op de verzadiging van het opvangnetwerk.
  • Het Arbeidshof en nu ook het Hof van Cassatie stellen echter dat een instructie van Fedasil tot vrijwillige opheffing van de code 207 op basis van de verzadiging van het opvangnetwerk ook wettelijk is. Er waren in het verleden zo al enkele tijdelijke instructies: zie bijvoobeeld nieuwsbrief nr. 3-2012. In dat geval is er een recht op financiële OCMW-steun.

OCMW en Arbeidsrechtbank

Het OCMW Brussel en de Arbeidsrechtbank weigerden de OCMW-steun omdat de instructie vrijwillige opheffing volgens hen niet voldeed aan de gestelde voorwaarden in de Opvangwet.

Volgens de Arbeidsrechtbank moest er een duidelijk verschil gemaakt worden tussen de niet-toewijzing van een verplichte plaats van inschrijving (artikel 11 § 3 Opvangwet) enerzijds, en de opheffing (artikel 13 Opvangwet) anderzijds. Voor de opheffing kunnen enkel bijzondere omstandigheden gekoppeld aan de persoonlijke situatie van de asielzoeker in aanmerking worden genomen. Het gaat dan bv. om iemand van wie een familielid erkend werd als vluchteling. De tijdelijke instructie die elke asielzoeker met een huurovereenkomst - ongeacht zijn persoonlijke situatie - de opheffing aanbood, was volgens de rechter niet wettelijk.

Arbeidshof en Hof van Cassatie

Het Arbeidshof oordeelde integendeel dat voor beide situaties de bijzondere omstandigheden parallel mogen gelezen worden. Zo kan als bijzondere omstandigheid ook de verzadiging van het netwerk worden gebruikt om een vrijwillige opheffing te rechtvaardigen. De beslissing tot opheffing was volgens het Arbeidshof wel degelijk correct genomen, zowel formeel (art. 13 Opvangwet) als materieel (toepassing voorwaarden instructie).

Het Hof van Cassatie volgt de uitspraak van het Arbeidshof en stelt dat de vrijwillige opheffing overeenkomstig artikel 13 Opvangwet werd genomen. Het risico van verzadiging van het netwerk wordt zo ook een bijzondere omstandigheid die Fedasil kan inroepen om een opheffing te verantwoorden.

 

Bronnen: