1. Sanctierichtlijn voor werkgevers van illegaal verblijvende derdelanders omgezet in Belgische wet

Op 4 maart 2013 treedt de wet van 11 februari 2013 tot vaststelling van sancties en maatregelen voor werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (Belgisch Staatsblad van 22 februari 2013) in werking.

De wet voert een verbod in op tewerkstelling van mensen zonder wettig verblijf. Een werkgever die mensen zonder wettig verblijf tewerkstelt, zal zowel financiële als strafrechtelijke sancties opgelegd kunnen krijgen. Tegelijk worden de rechten van illegaal verblijvende werknemers beter beschermd.

De wet is een gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad. De Sanctierichtlijn kadert in de algemene doelstelling om illegale migratie in de EU te bestrijden en legale migratie aan te moedigen. Door het aanpakken van wat beschouwd wordt als een belangrijke aantrekkingsfactor, nl. de mogelijkheid tot “illegale” tewerkstelling, hoopt men dat de illegale migratie in het algemeen afneemt.  

We bespreken de belangrijkste nieuwigheden in de Belgische wet:

Faciliteren van klachten

  • De illegaal verblijvende werknemer kan zelf klacht indienen.
  • Ook andere, door de wet opgesomde, organisaties kunnen de verdediging van rechten van de illegaal verblijvende werknemer op zich nemen in gerechtelijke procedures. Het gaat o.a. om werknemers- en werkgeversorganisaties, vakbonden, en het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding.

Verplichtingen van werkgevers

  • De werkgever moet op voorhand nagaan of een derdelands werknemer over een geldige verblijfsvergunning en eventueel een arbeidskaart beschikt.
  • De werkgever moet een kopie van de verblijfsvergunning tijdens de tewerkstelling beschikbaar houden voor inspectie.
  • De werkgever moet aangifte doen van de aanvang en beëindiging van de tewerkstelling van de derdelands werknemer.

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor het nog verschuldigde loon

  • De opdrachtgever, de hoofdaannemer en de onderaannemer zijn, in een keten van aansprakelijkheid, hoofdelijk aansprakelijk voor het loon dat door de werkgever nog niet aan de werknemer zonder wettig verblijf werd uitbetaald.
  • De (onder-)aannemer is niet hoofdelijk aansprakelijk als hij een schriftelijke verklaring van zijn rechtstreekse onderaannemer bezit waarin die bevestigt dat hij geen derdelanders zonder wettig verblijf tewerkstelt.
  • De (onder-)aannemer is wél hoofdelijk aansprakelijk vanaf het moment dat hij op de hoogte is dat zijn rechtstreekse onderaannemer één of meer derdelanders zonder wettig verblijf tewerkstelt.

Vermoeden van 3 maanden tewerkstelling

  • Een werknemer zonder wettig verblijf, die op basis van een arbeidsovereenkomst wordt tewerkgesteld, wordt geacht gedurende minstens 3 maanden gewerkt te hebben, behoudens bewijs van het tegendeel.

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

  • De werkgever kan ook strafrechtelijke sancties oplopen voor o.a. het niet op voorhand nagaan van de verblijfsvergunning van de werknemer en voor het niet betalen van het loon waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is.
  • Verder geldt ook hier een keten van aansprakelijkheid: de opdrachtgever, de hoofdaannemer en de intermediaire aannemer kunnen strafrechtelijke sancties oplopen wanneer hun (onder-)aannemer nalaat op voorhand de verblijfsvergunning van de werknemer na te gaan, een kopie van de vergunning beschikbaar te houden, of aangifte te doen van begin en einde van de tewerkstelling.
  • Daarnaast kan de rechter een exploitatie- of beroepsverbod en een bedrijfssluiting opleggen.

Bronnen:

Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

2. Medische regularisatie (9ter): standaardmotivering van DVZ-weigeringsbeslissing tot midden februari 2013 faalt volgens RvV

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) gaat verder met het vernietigen van weigeringsbeslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken inzake medische regularisatie-aanvragen (artikel 9ter Verblijfswet), als de weigering alleen gebaseerd is op een advies van de DVZ arts dat de ziekte niet "direct levensbedreigend" is. Ook de aangepaste format van DVZ (die volgens onze info nog steeds gebruikt wordt) volstaat niet voor de RvV, omdat het advies de DVZ-arts nog steeds uitgaat van een foute interpretatie van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) én van een te beperkte lezing van artikel 9ter zelf. Dat bevestigt de RvV in arrest nr. 93.870 van 18 december 2012.

In onze nieuwsbrief nr. 13-2012 schreven we al dat de RvV 9ter weigeringen van de DVZ vernietigt omdat de beslissingen zijn genomen vanuit de overweging dat de ziekte niet "direct levensbedreigend" zou zijn.

Naar aanleiding van deze omstandige rechtspraak, liet Maggie De Block in antwoord op een parlementaire vraag van 10 januari 2013 weten dat er tegen de RvV-arresten 92.258 en 92.661 van resp. 27 en 30 november 2012 een cassatieberoep bij de Raad van State werd ingediend. Een kabinetsmedewerker liet het Kruispunt M-I weten dat de DZV ondertussen de motivatie van weigeringsbeslissingen licht zou aanpassen, om verdere veroordelingen te vermijden.

Uit analyse van de weigeringsbeslissingen van midden januari 2013 blijkt dat de DVZ echter dezelfde standaardformulering voor de motivering hanteert, als deze die de DVZ gebruikte in de ongegrondheidsbeslissing die aanleiding gaf tot het RvV-arrest 93.870 van 18 december 2012.

We lichten deze DVZ-beslissingen en RvV-rechtspraak toe:

  • De weigeringsbeslissingen door de DVZ-dossierbehandelaars vermelden nu de verschillende situaties waar de ziekte aan getoetst moet worden volgens artikel 9ter Verblijfswet. De DVZ-beslissing bevat de volgende standaardmotivering: "er kan uit het medisch dossier niet worden afgeleid dat de betrokkene lijdt aan een ziekte:
    • die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit;
    • of die een reëel risico inhoudt op onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling beschikbaar is in het land van herkomst of het land van verblijf".
      • Opmerking van Kruispunt M-I: volgens de bewoordingen van art. 9ter Verblijfswet lijkt de voorwaarde "wanneer er geen adequate behandeling beschikbaar is in het land van herkomst of het land van verblijf" ook van toepassing te zijn op "het risico op leven en fysieke integriteit". We vragen ons dus af of de standaardmotivering van de DVZ artikel 9ter Verblijfswet niet opnieuw verkeerd citeert.
  • De medische adviezen door de DVZ-artsen gebruiken als enige concrete toetssteen of er een 'directe levensbedreiging' is. Volgens de RvV is dat echter een foute interpretatie door de DVZ van de rechtspraak van het EHRM over artikel 3 EVRM, in een context van repatriëringsbeleid. De arts schrijft: "Uit het medisch dossier blijkt […] geen directe bedreiging voor het leven van de betrokkene; de gezondheidstoestand is niet kritiek."
    • Opmerking van Kruispunt M-I: sommige medische adviezen van de DVZ-arts illustreren het gebrek aan een directe levensbedreiging met de volgende aanvulling: "geen enkel vitaal orgaan is in een dergelijke toestand dat het leven onmiddellijk in gevaar is. Er is geen nood aan monitoring van de vitale parameters noch aan een permanente medische bewaking om het leven van de betrokkene te verzekeren."
  • De RvV-rechtspraak herhaalt (ook in arrest 93.870) dat artikel 9ter Verblijfswet niet vereist dat er een directe bedreiging voor het leven van de verzoeker moet zijn. Ook het EHRM stelt de actuele directe levensbedreiging niet voorop als een absolute voorwaarde opdat een schending van art. 3 EVRM kan worden vastgesteld. Het Hof stelt dat ook ernstige aandoeningen die geen directe levensbedreiging vormen, een schending kunnen uitmaken als er geen behandeling in het herkomstland voorhanden is.

Voorlopige conclusies

  • De standaardformulering voor de motivering van weigeringsbeslissingen door de DVZ dossierbehandelaar is al iets vollediger geformuleerd.
  • Maar de concrete medische beoordelingen door de DVZ-arts en door de dossierbehandelaar lijken nog steeds onwettelijk.
  • De recente rechtspraak van de verschillende kamers van de RvV is eenduidig: de beoordeling en motivering door de DVZ van de medische elementen van een 9ter-aanvraag is te beperkt en moet ruimer zijn dan alleen een 'directe levensbedreiging'. Alle medische normen van artikel 9ter Verblijfswet en ook de behandeling in het herkomstland moeten door de DVZ onderzocht en gemotiveerd worden. 
  • Hulpverleners en advocaten kunnen de DVZ-beslissing én het medisch advies best grondig lezen en nagaan of de weigering door DVZ uiteindelijk alleen neerkomt op een beoordeling dat er 'geen directe levensbedreiging' is. Indien ja, kan men minstens een schending van de formele motiveringsplicht inroepen in een beroep bij de RvV.
  • De Raad van State zal zich binnenkort ook uitspreken over deze kwestie. We berichten daarover in een volgende nieuwsbrief.

Bronnen:

Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

3. Vage grens tussen proportionaliteit en opportuniteit van detentie wordt belangrijker

Het Hof van Cassatie lijnt in twee arresten van 2 januari 2013 (P.12.2050.N/1 en P.12.2019.F/1) de grens tussen enerzijds wettelijkheid, proportionaliteit, noodzakelijkheid en anderzijds opportuniteit, gepastheid van een detentiemaatregel verder af. Dat wordt belangrijker nu de Terugkeerrichtlijn in het Belgisch recht is omgezet.

Wettigheidstoezicht
Artikel 72, tweede lid van de Verblijfswet stelt dat de Raadkamer onderzoekt of de maatregelen van vrijheidsberoving of tot verwijdering van het grondgebied in overeenstemming zijn met de wet zonder zich te mogen uitspreken over hun gepastheid.

De DVZ kan de vreemdeling vasthouden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten. De detentie mag maximum 2 maanden duren.

In het bijzonder kan de DVZ beslissen tot detentie wanneer:

  • er een risico op onderduiken bestaat, of
  • de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Met de wet van 19 januari 2012 werd de Terugkeerrichtlijn in het Belgisch recht omgezet. In artikelen 7 en 27, §3 Verblijfswet staat nu verankerd dat detentie een ‘laatste redmiddel’ moet zijn als geen andere, voldoende maar minder dwingende maatregelen mogelijk zijn. Het Hof van Justitie heeft dit ook bevestigd in het arrest El Dridi, C-61/11 PPU van 28 april 2011. Zelfstandig vertrek of vrijwillige terugkeer genieten de voorkeur. In tweede instantie kan men iemand gedwongen repatriëren of andere maatregelen nemen zonder over te gaan tot vasthouding. Pas in een laatste fase kan men overgaan tot detentie. Artikel 15, § 4 Terugkeerrichtlijn stelt verder dat een detentie onwettig is wanneer er geen redelijk perspectief is op verwijdering.

Op basis van artikel 7 en 27, § 3 Verblijfswet, de overweging 16 van de Terugkeerrichtlijn en artikel 15, § 4 van de Terugkeerrichtlijn kan de Raadkamer in het kader van haar verruimde wettigheidscontrole ook toezien op:

  • de subsidiariteit,
  • de proportionaliteit, en
  • de noodzakelijkheid van de detentie.

Hof van Cassatie 27 juni 2012, P.12.1028.F/1

In dit arrest stelt het Hof van Cassatie dat als de beslissing tot detentie genomen werd wegens gevaar voor onderduiking, het aan de onderzoeksgerechten toekomt om na te gaan of dat risico onderzocht is door de overheid conform de wet. Het gevaar voor onderduiking moet:

  • reëel en actueel zijn
  • vastgesteld zijn op basis van objectieve en ernstige elementen.

De beslissing tot detentie kan om andere redenen genomen zijn dan omwille van gevaar voor onderduiking.

  • De DVZ moet echter steeds het subsidiariteitsprincipe respecteren. Met ander woorden: uit de beslissing tot detentie moet altijd blijken of de overheid onderzocht heeft of er geen andere minder dwingende maar voldoende maatregelen mogelijk zijn om de vreemdeling terug naar de grens te leiden.

Hof van Cassatie 2 januari 2013, P.12.2050.N/1

Het Hof herhaalt in dit recent arrest de principes maar benadrukt dat de onderzoeksgerechten niet de gepastheid of opportuniteit van de maatregelen kunnen controleren. De Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI) had gemotiveerd dat het weinig waarschijnlijk blijft dat de eiser, die al verschillende bevelen kreeg om het grondgebied te verlaten, vrijwillig het grondgebied zou verlaten bij een nieuw bevel. De vrijheidsberoving zou noodzakelijk zijn om het vertrek te realiseren.

  • De Kamer van Inbeschuldigingstelling motiveerde zijn arrest correct met betrekking tot de proportionaliteitstoets.

Hof van Cassatie 2 januari 2013, P.12.2019.F/1

In deze andere zaak van 2 januari was de KI het niet eens met de DVZ. De DVZ vond het onwettig werk (zonder beroepskaart of arbeidkaart) wel een ernstig gevaar voor de openbare orde en de nationale veiligheid. Deze reden zou een bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) zonder termijn rechtvaardigen. De KI was het daarmee oneens. Zij vond niet dat onwettig werk een ernstig gevaar kon zijn voor de openbare orde en nationale veiligheid.

Hier oordeelde het Hof van Cassatie het volgende:

  • Onwettig werk kan een reden kan zijn om iemand een BGV te geven zonder termijn. Deze beslissing is niet onwettig en bevat ook geen manifeste fout in appreciatie of in feite.
  • De KI heeft zich in de plaats van de overheid gesteld. Door hier te stellen dat het onwettig werk de openbare orde en veiligheid niet ernstig in gevaar brengt, overschrijdt zij de grenzen van de wettigheidcontrole.
    • Opmerking Kruispunt M-I
      De KI had volgens ons in deze laatste zaak wel wettig kunnen stellen dat de maatregel niet proportioneel was. Zij had niet hoeven in te gaan op de kwestie of onwettig werk al dan niet een ernstig gevaar is voor de openbare orde en nationale veiligheid. Wel had zij kunnen oordelen dat een BGV zonder termijn hier disproportioneel is en niet noodzakelijk om de betrokkene te doen vertrekken. 

Conclusie

In theorie kunnen de onderzoeksgerechten de opportuniteit of gepastheid van de detentiemaatregel niet controleren. Het Hof van Cassatie lijkt een opening te laten om manifeste appreciatiefouten toch via de proportionaliteitstoets aan te vechten bij de onderzoeksgerechten.

  • Volgens het Hof moet de proportionaliteit van de maatregel immers blijken uit de beslissing en moeten de onderzoeksgerechten hierop controle uitoefenen.
  • De zaak nr. P.12.2019.F/1 van 2 januari toont aan dat  de grens tussen proportionaliteit en opportuniteit voor de onderzoeksgerechten niet altijd even duidelijk is. Toekomstige rechtspraak zal moeten verduidelijken hoever de KI en RK mag en kan gaan zonder zich in de plaats van de bevoegde overheid te stellen.

Bronnen:

Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

4. Repatriëring Afghaanse asielzoeker met handicap niet in strijd met EVRM

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde dat S.H.H., een asielzoeker met een handicap, niet kon bewijzen dat zijn repatriëring door het Verenigd Koninkrijk naar Afghanistan in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM. Het Hof volgt daarmee de lijn van haar rechtspraak N. vs. V.K. Volgens het EHRM is haar rechtspraak inzake M.S.S. vs. België (ten opzichte van Griekenland) niet van toepassing op Afghanistan, terwijl het Hof die toets eerder wel toepasselijk verklaarde op Somalië (in de zaak Sufi en Elmi).

Feiten

S.H.H. kwam in 2010 toe in het Verenigd Koninkrijk met een zware handicap als gevolg van een raketaanval in zijn dorp. Zijn asielaanvraag werd afgewezen omdat zijn verklaringen inconsistent waren, hij nog 4 jaar langer in Afghanistan was na het incident, en omdat ook bleek dat Hizb-i-Islami hem geholpen had om naar het Verenigd Koninkrijk te reizen. Hij dreigde dus te worden gerepatrieerd naar Afghanistan.

 

Verzoekschrift bij EHRM

S.H.H. was van mening dat zijn verwijdering naar Afghanistan een schending van artikel 3 inhield omdat:

  • personen met een handicap een groter risico lopen op geweld in het gewapend conflict; en
  • hij geen contact meer met zijn familie had waardoor hij geen steun meer had en het slachtoffer zou worden van algemene discriminatie.

EHRM

  • Geen groter risico door handicap

Het EHRM oordeelde dat S.H.H. niet kon bewijzen dat hij door zijn handicap een groter risico op geweld zou lopen dan de Afghaanse bevolking. Daarnaast had hij geen enkele reden opgegeven waarom hij niet in contact zou kunnen komen met zijn familie. Bovendien was vastgesteld dat hij doorheen de vier jaar die hij in Afghanistan had doorgebracht na het ongeval, zonder problemen medische zorgen had gekregen.

  • Rechtspraak N. toegepast, en niet rechtspraak M.S.S. of Sufi en Elmi

Volgens het Hof was de toepasselijke toets analoog met deze in de zaak N. vs. VK. De gevolgen die S.H.H. vreesde waren immers gelinkt aan gebreken in de gezondheidszorg, waardoor uitzonderlijke omstandigheden moeten worden vastgesteld om een schending van artikel 3 EVRM te kunnen opwerpen.

 

Waar S.H.H. betoogde dat dezelfde toets als in M.S.S. moest worden gebruikt, antwoordde het EHRM dat Afghanistan niet gebonden is door het EVRM en dus niet moet voldoen aan dezelfde strikte voorwaarden als Griekenland.

 

Het Hof nuanceert verder waarom het in de zaak Sufi en Elmi vs. Somalië dan wel de M.S.S.-toets toepaste ten aanzien van Somalië. De reden daarvoor was dat er op dat moment in delen van het land sprake was van uitzonderlijke en extreme omstandigheden.

 

Omwille van onderstaande redenen achtte het Hof de M.S.S.-toets niet toepasselijk in deze zaak met betrekking tot Afghanistan (in tegenstelling tot Somalië):

  • Afghanistan heeft een functionerende overheid;
  • Kabul, waarnaar betrokkene zou worden uitgewezen, staat onder controle van deze overheid (in tegenstelling tot Somalië dat sinds 2008 wordt ingenomen door rebellen;
  • Er zijn verschillende internationale hulporganisaties aanwezig in Afghanistan (wat niet het geval was in Somalië); en
  • Hoewel er moeilijkheden en gebrekkigheden bestaan in de zorg voor mensen met een handicap in Afghanistan, is dit niet het resultaat van opzettelijke acties of onthoudingen van de Afghaanse autoriteiten, die (kleine) stappen ondernemen om deze zorg te verbeteren.

Het Hof besluit dat S.H.H. zich niet bevindt in een dermate uitzonderlijke omstandigheid die een schending van artikel 3 EVRM inhoudt. Het Verenigd Koninkrijk zal dus kunnen overgaan tot repatriëring eenmaal het arrest definitief wordt.

 

Het Hof nam de beslissing met 4 stemmen tegen 3.

 

Bron:

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen

 

5. OCMW-steun na vernietiging ongegronde 9ter: ook als gemeente geen nieuw Attest van Immatriculatie aflevert

Wanneer de RvV de beslissing van de DVZ om een aanvraag medische regularisatie (9ter) ongegrond te verklaren, vernietigt, komt de betrokkene terug in zijn vorige verblijfssituatie. De betrokkene is m.a.w. opnieuw een vreemdeling van wie de 9ter aanvraag ontvankelijk werd verklaard en nog te gronde moet worden beoordeeld.

 

De gemeente moet bijgevolg het Attest van Immatriculatie (oranje verblijfskaart) terug afleveren. Dit verloopt niet altijd even vlot, vaak door het uitblijven van een instructie van de DVZ.

 

De POD-MI bevestigt dat er in deze situatie terug OCMW-steun mag toegekend worden indien de behoeftigheid wordt vastgesteld. Dit ondanks het ontbreken van het Attest van Immatriculatie. De steunverlening geldt voor de volgende periode:

  • vanaf de datum dat de nieuwe hulpvraag bij het OCMW wordt gesteld én het RvV-arrest wordt voorgelegd waarin de ongegrondheidsbeslissing wordt vernietigd,
  • totdat de DVZ eventueel een nieuwe ongegrondheidsbeslissing 9ter heeft genomen.

Het Attest van Immatriculatie is dus voor de terugbetaling door de POD-MI niet vereist. De papieren beslissing waarin de RvV de ongegrondheidsbeslissing 9ter vernietigt, moet wel worden voorgelegd gezien de inhoud van de RvV-beslissing niet zichtbaar is in het wachtregister.

 

Ter herinnering: indien er nog een asielprocedure hangende is op het moment van de ongegrondheidsbeslissing 9ter, behoudt de betrokkene zijn recht op steunverlening op basis van zijn statuut van asielzoeker.

 

Bron:

  • E-mail van de POD-MI aan Kruispunt M-I, 8/2/2013
Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

6. Medische regularisatie (9ter): DVZ moet nieuwe en fundamenteel verschillende beoordeling van de ernst van de ziekte en het humanitair risico motiveren (RvV)

De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) spreekt zich bij verlengingen van een reeds toegekende 9ter-aanvraag of bij vernietigde ongegrondheidsbeslissingen opnieuw uit over de ernst van de ziekte en het humanitair risico dat de betrokkene loopt bij terugkeer. Als deze beoordeling door de DVZ-arts dan fundamenteel verschillend en tegenovergesteld is in vergelijking met de vorige beoordeling, dan moet de DVZ-arts in zijn advies motiveren waarom dat zo is. Dat zegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) in arrest nr. 93.870 van 18 december 2012.

  • In de eerste ongegrondheidsbeslissing oordeelde de DVZ-arts dat de verzoeker aan aandoeningen (posttraumatisch stress-syndroom, depressie en  hypertensie, en angor) lijdt die een reëel risico inhouden voor zijn leven of fysieke integriteit of die een reëel risico kunnen inhouden voor een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling beschikbaar is in het land van herkomst. Deze ongegrondheidsbeslissing werd, om andere redenen, door de RvV vernietigd.
  • In de tweede ongegrondheidsbeslissing komt de DVZ-arts – zonder nadere toelichting – terug op zijn beoordeling. In zijn advies stelt hij dat het niet gaat over een aandoening zoals voorzien in artikel 9ter Verblijfswet, zonder over te gaan tot een beoordeling van de beschikbaarheid van een adequate behandeling in het herkomstland of aan te geven dat een dergelijke behandeling voorhanden is.
  • De RvV oordeelt dat de DVZ-arts minstens moet duiden waarom hij, in vergelijking tot zijn eerdere advies, tot een fundamenteel verschillend en tegenovergesteld besluit komt en waarom hij nu oordeelt dat dezelfde aandoening niet langer voldoet aan de vereiste ernst in de zin van art. 9ter, §1, eerste lid Verblijfswet.

Volgens de RvV laat artikel 9ter, §1, eerste lid Verblijfswet ook niet toe dat de DVZ uit het feit dat er geen "directe levensbedreiging" is, zou afleiden dat er dus evenmin sprake is van een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling in het land van herkomst of gewoonlijk verblijf is. De RvV gaat hier verder op in, met een gelijkaardige motivatie die werd opgenomen in onze nieuwsbrief van 21 december 2012.  

Bron: 

  • RvV-arrest 93.870 van 18 december 2012
Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

7. Medische regularisatie (9ter): de graad van ernst moet uit het standaard medisch attest zelf blijken, niet enkel uit de bijlagen (RvS)

De Raad van State oordeelt dat de graad van ernst van de ziekte bij een medische regularisatie-aanvraag (artikel 9ter Verblijfswet) uit het standaard medisch getuigschrift zelf moet blijken. Wanneer deze graad van ernst enkel uit de bijlagen moet worden afgeleid, mag de DVZ deze 9ter-aanvraag onontvankelijk verklaren.

 

Dit RvS arrest nr. 222.013 van 11 januari 2013 ging over een standaard medisch attest dat niet verwees naar de medische attesten in bijlage.

  • Om een ontvankelijke aanvraag medische regularisatie te bekomen, moet het standaard medisch attest 3 zaken vermelden, onder meer: ‘de graad van ernst' van de aandoening (artikel 9, § 1, vierde lid Verblijfswet);
  • Het verplicht standaard medisch attest vraagt onder punt B. DIAGNOSE een “gedetailleerde beschrijving van 'de aard en de ernst' van de aandoeningen op basis waarvan de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9ter wordt ingediend”; 
  • De RvS meent dat, ook al is in het standaard medisch attest geen specifieke plaats voor de vermelding van de graad van ernst van de ziekte voorzien, toch de graad van ernst van de aandoening in het standaard medisch attest moet zijn opgenomen.

Het is onduidelijk of de inhoud van dit arrest ook van toepassing is wanneer er in het standaard medisch attest wel wordt verwezen naar een medisch attest in bijlage.

  • In het arrest wordt twee keer vermeld: 'omdat de twee bijlagen geen deel van het medisch getuigschrift uitmaken en omdat in de medisch getuigschrift al evenmin naar die twee bijlagen wordt verwezen'.
  • Tegen de onderstaande RvV-rechtspraak werd geen cassatieberoep ingediend, of werd het RvV-arrest door de RvS bevestigd. Deze rechtspraak zegt dat de graad van de ernst van de ziekte is vermeld omdat:
    • Het standaard medisch attest verwijst naar een medisch attest in bijlage met de vermelding: ‘troubles de comportement avec agressivité dans un contexte de retard mentale sevère.’RvV 74.386, 31 januari 2012
    • Onder punt B 'diagnose' heeft de specialist 'chronisch' duidelijk vermeld en verwezen naar andere medische rapporten (die geen standaard medisch attesten zijn). (RvV 75.166, 15 februari 2012, bevestigd in RvS 8.308, 4 april 2012) 
    • Het standaard medisch attest verwijst naar een ander medisch attest in bijlage waarin dit wordt vermeld.  (RvV 65.055, 25 juli 2011)

Bronnen:

Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw

 

8. Indexatie van minimumjaarloon voor arbeidskaart B van hooggeschoolden, leidinggevenden en schouwspelartiesten

Bepaalde categorieën arbeidsmigranten genieten van een vrijstelling van arbeidsmarktonderzoek voor de verkrijging van een arbeidskaart B wanneer het bruto-jaarloon een bepaald minimumbedrag overschrijdt. Het minimumbedrag werd per 1 januari 2013 geïndexeerd.

  • Voor hooggeschoolden geldt vanaf 1 januari 2013 een minimaal bruto-jaarloon van 38.665 euro (37.721 euro in 2012). De administratie zal in dat geval een arbeidskaart B toestaan voor een maximale duur van 4 jaar. Deze termijn kan eenmalig verlengd worden met een nieuwe termijn van 4 jaar. De termijn van 4 jaar zal echter onbeperkt verlengd worden indien zijn bruto-jaarloon een minimumbedrag overschrijdt. Ook dit bedrag werd per 1 januari 2013 geïndexeerd en bedraagt 64.508 euro (62.934 euro in 2012).
  • Voor leidinggevenden geldt vanaf 1 januari 2013 een minimaal bruto-jaarloon van 64.508 euro (62.934 euro in 2012).
  • Voor schouwspelartiesen geldt vanaf 1 januari 2013 een minimaal bruto-jaarloon 32.254 euro (31.467 euro in 2012).

Bron en meer info:

Bericht van Kruispunt Migratie-Integratie vzw