Arbeidsrechtbank
Brussel
6690/06 en 22.200/06
Illegaal verblijvende ouder van een Belgisch kind – witte tewerkstelling – onwettig verblijf – geen arbeidsvergunning – werkloos – aanvraag werkloosheidsuitkering – weigering – opgebouwde prestaties niet inovereenstemming met verblijfswetgeving en wetgeving op tewerkstelling buitenlandse werknemers – beroep - drie prejudiciële vragen aan Hof van Justitie – art. 12, 17 en 18 EG-verdrag – - art. 21, 24 en 34 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - verbod op discriminatie op basis van nationaliteit – recht van EU-burger om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten – lidstaat waarvan de EU-burger de nationaliteit heeft – EU-burger ten laste van ascendent-derdelander met voldoende bestaansmiddelen en ziekteverzekering – verblijfsrecht ascendent-derdelander - nuttig effect verblijfsrecht EU-burger – vrijstelling arbeidsvergunning ascendent-derdelander

Geven de artikelen 12, 17 en 18 EG-Verdrag een verblijfsrecht aan de EU-burger op het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft, onafhankelijk van de vraag of hij voorafgaandelijk gebruik gemaakt heeft van het vrij personenverkeer? Impliceren de artikelen 12, 17 en 18 EG-Verdrag dat de ascendent van een minderjarige EU-burger, die zelf een derdelands onderdaan is, waarvan de EU-burger ten laste is en die over voldoende bestaansmiddelen en een ziekteverzekering beschikt, een afgeleid recht op verblijf heeft, omdat anders afbreuk zou gedaan worden aan het nuttig effect van het verblijfsrecht van de EU-burger, zelfs wanneer de EU-burger verblijft in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft en zonder dat hij voorafgaandelijk gebruik gemaakt heeft van het vrij personenverkeer? Moeten de artikelen 12, 17 en 18 EG-Verdrag zodanig geïnterpreteerd worden dat ze de ascendent-derdelander van een EU-burger vrijstellen van een arbeidsvergunning, wanneer de EU-burger ten laste is van hem en hij, door te werken, voldoende bestaansmiddelen en een ziekteverzekering heeft, opdat geen afbreuk gedaan wordt aan het nuttig effect van het verblijfsrecht van de EU-burger?