Arbeidsrechtbank
Brussel
14.184/10
IPR - huwelijk - gevolgen van een polygaam, buitenlands huwelijk - overlevingspensioen - art. 24, § 2 Bilaterale overeenkomst betreffende sociale zekerheid tussen België en Marokko - band van het geval met de Belgische juridische orde - appreciatie in concreto - geen ‘nationale voorkeur’ - art. 21 WIPR - strijdig met openbare orde - geen (sociale) gevolgen aan tweede huwelijk - vordering gegrond

De gevolgen van een polygaam, buitenlands huwelijk ten aanzien van het recht op een overlevingspensioen moet geapprecieerd worden op basis van de aard van de voorgehouden gevolgen en op basis van de mate van verbondenheid van de situatie met de Belgische juridische orde. Men moet dus rekening houden met de banden die de verzoekster, de eerste echtgenote, heeft met België. Het komt niet aan de rechtbank toe om het tweede huwelijk dat in Marokko geldig werd afgesloten, te veroordelen. Zij woont sinds 15 maart 1971 in België en heeft op 16 januari 2011 de Belgische nationaliteit gekregen. Ze had dus de Belgische nationaliteit al meer dan 8 jaar, wanneer de tweede echtgenote gevraagd heeft om ook haar een recht op een overlevingspensioen toe te kennen zonder het bestaan van het eerste huwelijk te vermelden. Zij is dus al meer dan 38 jaar in België gedomicilieerd. De rechtbank neemt aan, op basis van de feiten die worden voorgelegd, dat de verzoekster gedurende al die jaren samen heeft gewoond met haar echtgenoot alhoewel niet kan uitgesloten worden dat de echtgenoot zich heeft ‘opgesplitst’ tussen de twee echtgenotes, door heen en weer te reizen tussen België en Marokko. De verzoekster kon dus laten gelden dat het tweede huwelijk de internationale openbare orde van België schendt en zij kon zich verzetten tegen het feit dat een tweede huwelijk ten aanzien van haar gevolgen zou hebben, daarin begrepen gevolgen met betrekking tot de sociale zekerheid. De RvP had dus geen rekening mogen houden met het tweede huwelijk. Het feit dat de verzoekster op de datum dat het tweede huwelijk werd gesloten de Belgische nationaliteit nog niet had, is zonder gevolg. Het is op de datum waarop men het recht op een overlevingspensioen opent (bij het overlijden van de echtgenoot) dat men de gevolgen van het tweede huwelijk moet appreciëren. Op die datum woonde de verzoekster reeds 38 jaar in België en had ze de Belgische nationaliteit. De nabijheid volgt niet enkel uit de nationaliteit maar ook uit de domiciliëring sinds 1971 en uit het vermoeden daarbij dat zij gedurende al die jaren samen heeft gewoond met haar man. Het is dus de appreciatie in concreto en niet de ‘nationale voorkeur’ die doet besluiten om geen gevolgen toe te kennen aan het tweede huwelijk. De vordering is ontvankelijk en gegrond.