Europees Hof voor de Rechten van de Mens
49773/15
(S.A. t. Nederland) Geen schending artikel 3 EVRM bij uitwijzing naar Soedan – geen schending artikel 13 EVRM – Soedan – geloofwaardigheid - Algemene situatie die op zich geen risico van mishandeling in strijd met het Verdrag inhoudt - Niet-Arabische etnische afkomst: op zich geen risico van vervolging of ernstige schade in Khartoem - Geen betrokkenheid bij verzet tegen het huidige regime of andere individuele factoren of aanwijzingen voor een negatief belang van de autoriteiten

Het EHRM volgt in deze zaak de Nederlandse rechters die oordeelden dat er geen reëel risico voor een schending van art. 3 EVRM bestaat bij de uitzetting van een afgewezen asielzoeker naar Soedan. De verzoeker stelde uit de regio Darfoer afkomstig te zijn. De Nederlandse autoriteiten vonden dit niet aannemelijk onder meer omdat hij een Tsjaads paspoort had.

 

Feiten: uitwijzing afgewezen asielzoeker naar Soedan

 

De verzoeker, S.A., verklaart dat hij een Soedanese onderdaan is die in 1993 is geboren. De verzoeker is in mei 2010 in Nederland aangekomen, en vroeg vervolgens asiel aan. Een eerste keer in 2011 en een tweede keer in 2014. Tijdens de interviews beweerde hij dat als hij naar Soedan zou moeten terugkeren, hij daar het risico zou lopen te worden gezien als een tegenstander van het regime, aangezien hij tot de Tunjur behoorde, een niet-Arabische etnische groep die geassocieerd wordt met Darfuri rebellengroepen.

 

Ook een de derde asielaanvraag werd afgewezen op basis van de bevindingen dat de verklaringen van de aanvrager niet geloofwaardig zijn, in het bijzonder die met betrekking tot zijn land van herkomst.

 

De verzoeker haalde aan dat hij bij verwijdering naar Soedan het risico zou lopen om gedwongen te worden gerekruteerd, het risico zou lopen op vervolging omdat hij tot een niet-Arabische etnische groep uit Darfoer behoorde en meer in het algemeen dat hij een risico zou lopen op onmenselijke behandelingen vanwege de humanitaire situatie in Soedan als gevolg van het conflict in Darfoer.

 

EHRM: geen schending artikel 3 EVRM

 

Het EHRM herhaalt vooreerst dat de beoordeling van het bestaan van een reëel risico noodzakelijkerwijs rigoureus moet zijn. Het is in beginsel aan de verzoeker om het bewijs te leveren dat er wezenlijke redenen zijn om aan te nemen dat hij bij de uitvoering van de uitwijzing een reëel risico loopt om in strijd met artikel 3 EVRM te worden behandeld. De beoordeling moet gericht zijn op de te verwachten gevolgen van de verwijdering van de verzoeker naar het land van bestemming, in het licht van de algemene situatie aldaar en van zijn of haar persoonlijke omstandigheden. In dit verband verwijst het EHRM voor de beoordeling of er een algemene situatie van geweld bestaat in het land van bestemming naar eerdere rechtspraak (zie F.G. tegen Zweden, § 113-14 met verdere verwijzingen, en J.K. e.a. tegen Zweden, reeds § 86).

 

Bij het onderzoek van deze kwestie herhaalt het EHRM in eerste instantie zijn overwegingen met betrekking tot de algemene situatie in Soedan, zoals uiteengezet in de recente arresten van N.A. tegen Zwitserland (§ 43) en A.I. tegen Zwitserland (§ 50). Bovendien merkt het EHRM op dat president Omar Al-Bashir op 11 april 2019, na maandenlange straatprotesten tegen zijn bewind, door het Soedanese leger werd afgezet en dat in augustus 2019 een civiel-militaire overgangsregering werd gevormd.

 

De Nederlandse autoriteiten stelden dat de algemene situatie in Soedan op zich niet van dien aard was dat er een risico van mishandeling bestond. De verzoeker betwist dit niet. Het EHRM ziet geen reden om tot een andere conclusie te komen. Het EHRM moet vervolgens vaststellen of de persoonlijke situatie van verzoeker van dien aard is dat zijn terugkeer naar Soedan in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

 

Voor zover de verzoeker heeft gesteld dat hij het risico zou lopen op een door artikel 3 verboden behandeling omdat hij een persoon van niet-Arabische afkomst is die afkomstig is uit Darfoer, merkt het EHRM op dat de asielinstanties op basis van de volgende gronden hebben geoordeeld dat verzoeker ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd en niet op bevredigende wijze heeft aangetoond dat hij afkomstig is uit het Soedanese deel van Darfoer en daar tot aan zijn vertrek naar Nederland heeft gewoond: verzoeker was in Nederland binnengekomen met een authentiek Tsjaads paspoort; in zijn gesprekken met de Nederlandse immigratiedienst had hij vage, onvolledige en onjuiste antwoorden gegeven op (geografische) vragen over zijn vermeende regio van herkomst; de door verzoeker ingediende verklaring van verblijf kon niet als betrouwbaar bewijs worden beschouwd; en de taalanalyse had ondubbelzinnig geconcludeerd dat verzoeker Arabisch sprak, aangezien deze taal in de regio Khartoem werd gesproken. Het EHRM merkt verder op dat de asielinstanties het aannemelijk achtten dat verzoeker een persoon van niet-Arabische afkomst was die het grootste deel van zijn leven in Khartoem had gewoond en niet in Darfoer.

 

Het EHRM herhaalt dat het vaak moeilijk is om precies vast te stellen wat de relevante feiten zijn, en aanvaardt dat de nationale autoriteiten in het algemeen het best in staat zijn om niet alleen de feiten te beoordelen, maar meer in het bijzonder de geloofwaardigheid van de asielzoekers, aangezien zij het zijn die de gelegenheid hebben gehad om de houding van de betrokken personen te zien, te horen en te beoordelen (zie F.G. tegen Zweden, § 118, en A.G. en M.M. tegen Nederland (dec.), nr. 43092/16, § 28, 26 juni 2018). Wanneer een nationale procedure heeft plaatsgevonden, is het niet de taak van het EHRM om zijn eigen beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van die van de nationale rechtbanken (zie F.G. tegen Zweden, § 118). In dat opzicht concludeert het EHRM dat het geen enkele twijfel heeft over het gevoerde onderzoek.

 

Wat betreft de niet-Arabische afkomst van de verzoeker merkt het EHRM op dat de situatie voor dergelijke personen zeker niet ideaal is, maar dat het niet kan vaststellen dat deze situatie als zo schrijnend kan worden beschouwd dat moet worden geconcludeerd dat mensen van niet-Arabische etnische afkomst in Khartoem uitsluitend op grond van hun etnische afkomst gevaar lopen te worden vervolgd of ernstig te worden benadeeld (zie, A. S. v. Nederland (dec.), nr. 20102/13, § 53, 20 november 2018, W.M. v. Nederland (dec.), nr. 12708/16, § 25, 20 november 2018, en A.I. v. Nederland (dec.), nr. 36196/16, § 35, 20 november 2018). Er moet dus ook worden vastgesteld of er andere risicofactoren aanwezig zijn.

 

Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat een uitwijzing naar Soedan hem zou blootstellen aan een risico van gedwongen rekrutering, is het EHRM van oordeel dat deze bewering volledig ongefundeerd is gebleven. Voorts heeft het EHRM in de inhoud van het dossier geen concrete aanwijzingen gevonden dat de autoriteiten van Sudan op het moment van de feiten of op dit moment een negatief interesse in verzoeker hebben. Wat betreft de deelname van verzoeker aan een demonstratie van de Soedanese oppositie in Den Haag op 28 januari 2016, merkt het EHRM ook op dat deze demonstratie gericht was tegen het voormalige regime van Omar Al-Bashir, en niet tegen de huidige regering van Sudan. Dit argument is dus niet langer relevant. Bovendien is er, in tegenstelling tot de situatie in de zaken N.A. tegen Zwitserland en A.I. tegen Zwitserland voor het EHRM geen bewijs dat verzoeker betrokken is bij enige Soedanese politieke oppositie of Soedanese oppositiegroepering in het buitenland, waardoor hij bij zijn terugkeer in Soedan zou moeten vrezen voor mishandeling door de huidige autoriteiten.

 

Het EHRM concludeert vervolgens dat de verzoeker geen bewijs heeft geleverd dat aantoont dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij bij verwijdering naar Soedan een reëel risico loopt om in strijd met artikel 3 EVRM te worden behandeld.