Europees Hof voor de Rechten van de Mens
16026/12
(Amerkhanov t. Turkije) Schending artikel 3 EVRM (verbod op foltering) – schending artikel 5 EVRM (recht op vrijheid) –administratieve detentie – uitlevering – Turkije – artikel 13 EVRM (recht op een daadwerkelijke rechtsmiddel)

Zie ook EHRM 5 juni 2018, nr. 69929/12, Batyrkhairov t. Turkije

In deze twee gelijkaardige zaken wordt Turkije veroordeeld voor een schending van artikel 3 en 13 EVRM voor de verwijdering van twee Kazakse asielzoekers naar Kazachstan zonder dat er een rigoureus onderzoek naar het reëel risico op onmenselijke behandeling heeft plaatsgevonden. Het EHRM veroordeelt Turkije eveneens voor een schending van artikel 5 en 3 EVRM omwille van de onwettige detentie in het gesloten centrum van Kumkapı. Beide verzoekers krijgen een schadevergoeding van 6.500 euro.

 

Feiten: uitwijzing van twee asielzoekers naar Kazachstan

 

In de eerste zaak gaat het om de heer Amerkhanov, een Kazak, die in 2011 aankwam in Turkije, en er werd opgesloten met het oog op uitwijzing naar Kazachstan. De Turkse autoriteiten beschouwden hem als een bedreiging voor de nationale veiligheid. Hij vroeg er asiel aan en werd er in afwachting van het onderzoek vrijgelaten. Na de afwijzing van zijn asielaanvraag werd hij uitgewezen naar Kazakstan. Van daaruit diende hij, zonder succes, een beroep in tegen de afwijzing en de beslissing om hem uit te zetten. Op het ogenblik dat het arrest van het EHRM wordt geveld wordt hij nog vastgehouden in Kazachstan.

 

In de tweede zaak gaat het om de Kazakse man, Batyrkhairov, die eveneens in 2011 aankwam in Turkije. De Kazakse autoriteiten vroegen zijn uitlevering voor aan terrorisme gerelateerde beschuldigingen. Toen hij in januari 2012 het land probeerde te verlaten werd hij gearresteerd. Een maand later verwierpen de nationale rechtbanken het uitleveringsverzoek en bevalen zijn vrijlating uit de gevangenis. Hij werd echter onmiddellijk overgebracht naar het gesloten centrum in Kumkapı waar hij werd vastgehouden tot zijn uitwijzing in maart 2012. Hij had intussen asiel aangevraagd, maar deze aanvraag werd verworpen.
 

Beide verzoekers richten zich tot het EHRM waar ze volgende grieven aanhalen:

-          een schending van artikel 3 EVRM voor hun uitzetting naar Kazakstan. Ze halen aan dat ze onwettig verwijderd waren zonder een onderzoek naar hun asielverzoek. Ze halen ook de slechte omstandigheden aan in het detentiecentrum wegens overbevolking en een gebrek aan de mogelijkheid voor een wandeling in openlucht.

-          schending artikel artikel 5 §§ 1, 2, 4, en 5 EVRM voor de detentie in het gesloten centrum van Kumkapı. Ze betwisten de wettigheid van hun detentie, het feit dat ze niet waren geïnformeerd over de reden van de detentie, en het gebrek aan een voorziening in rechte.

-          schending van artikel 13 EVRM: het gebrek aan een effectief rechtsmiddel

 

Schending artikel 3 EVRM voor de uitwijzing naar Kazachstan: geen onderzoek naar het reëel risico op onmenselijke behandeling

 

Het EHRM oordeelt in beide zaken dat Turkije artikel 3 EVRM heeft geschonden omdat de Turkse autoriteiten geen grondig onderzoek hebben gevoerd naar het reëel risico op onmenselijke en vernederende behandeling dat betrokkenen zouden lopen bij een terugkeer naar Kazachstan. Beide verzoekers hadden duidelijk aangegeven bij de Turkse autoriteiten dat zij bij een terugkeer een risico op mishandeling zouden lopen. Eén van de twee verzoekers werd door Kazakse autoriteiten verdacht van terrorisme, zoals bleek uit een uitleveringsverzoek. De andere verzoeker werd door Turkije als een gevaar voor de nationale veiligheid beschouwd. Het EHRM gaat na of Turkije haar procedurele verplichtingen onder artikel 3 EVRM heeft nageleefd.

 

In één van de zaken (Batyrkhairov t. Turkije) stelt het vast dat dit niet het geval is op basis van volgende elementen: de Turkse overheid kon geen documenten voorleggen waaruit bleek dat zij de asielaanvraag had onderzocht, er was geen kopie van de beslissing die zou betekend zijn, de overheid kon ook geen documenten voorleggen waaruit een evaluatie blijkt van het reëel risico op onmenselijke behandelingen. Turkije voerde enkel aan dat de autoriteiten op de hoogte waren van de aan terrorisme gerelateerde beschuldigingen tegen verzoeker; dat de asielaanvraag van de asielzoeker was beoordeeld; en dat verzoeker zijn beschuldigingen van mogelijke mishandeling niet had kunnen onderbouwen.

 

In de andere zaak (Amerkhanov t. Turkije) had de verzoeker zich wel tot de rechter kunnen richten maar het EHRM hecht geen belang aan het onderzoek dat door de administratieve rechtbank van Ankara gevoerd zou zijn, aangezien verzoeker werd gedeporteerd naar Kazachstan lang voordat die rechter uitspraak deed. In ieder geval heeft de administratieve rechtbank van Ankara, op verzoek van de advocaat van de verzoeker om rechterlijke toetsing, haar onderzoek beperkt tot de vraag of de aanvrager voldeed aan de wettelijke voorwaarden om een ​​vluchteling te worden. Het bevatte geen enkele reden om te concluderen dat verzoeker zijn vrees voor mishandeling niet onderbouwd was. Het EHRM merkt ook op dat terwijl verzoeker op de hoogte was van de afwijzing van zijn asielverzoek, noch hij, noch zijn advocaat ooit officieel in kennis waren gesteld van het besluit om de asielzoeker naar Kazachstan te deporteren, waardoor hij de mogelijkheid werd ontnomen om zijn uitzetting tijdig aan te vechten.

 

In beide gevallen oordeelt het EHRM dat de verzoekers geen juridische procedure hebben gehad die waarborgen biedt tegen onwettige uitzetting en dat er geen behoorlijke beoordeling van hun asielaanvragen heeft plaatsgevonden. In dit verband benadrukt het EHRM dat, gelet op het absolute karakter van het door artikel 3 EVRM gewaarborgde recht en het onomkeerbare karakter van de mogelijke schade, indien het risico van mishandeling zich zou voordoen, de nationale autoriteiten zo rigoureus mogelijk moeten zijn en het risico zorgvuldig moeten onderzoeken.

 

Schending artikel 3 EVRM voor detentieomstandigheden: overbevolking en geen toegang tot buitenlucht

 

In beide zaken oordeelt het EHRM dat de detentieomstandigheden in het Kumkapi detentiecentrum van die aard zijn dat ze een schending inhouden van artikel 3 EVRM. Het EHRM verwijst hierbij vooral naar de overbevolking en gebrek aan de mogelijkheid om in de buitenlucht te wandelen. Het EHRM grijpt hierbij terug naar een eerder arrest (EHRM 6 september 2016, nr. 14344/13 Alimov t. Turkije) waarin het op basis van rapporten van onder meer het CPT, de detentieomstandigheden in het centrum had veroordeeld. Aangezien de overheid in deze zaak geen bewijzen heeft aangebracht dat het tegendeel aantoont, stelt het EHRM dat het zich aan de vorige conclusie kan houden, en dat dit in combinatie met de angst gekoppeld aan de onzekerheid over detentieduur een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM inhoudt.

 

Schending artikel 5 wat betreft de wettigheid van de detentie

 

In beide zaken grijpt het EHRM ook hier terug naar eerdere rechtspraak (EHRM 22 september 2009, nr. 30471/08, Abdolkhani and Karimnia t. Turkey), waarover de Turkse overheid geen elementen naar voor brengt waaruit blijkt dat de omstandigheden intussen gewijzigd. Zo stelt het EHRM vast dat de Turkse wetgeving nog steeds geen juridische bepaling bevat die een detentieprocedure met het oog op verwijdering vastlegt. Dit is in strijd met artikel 5 § 1 EVRM. Bovendien werden beide verzoekers niet geïnformeerd over de redenen van hun detentie, zoals artikel 5 § 2 voorschrijft. Eveneens in lijn met eerdere rechtspraak (EHRM 13 april 2010, nrs. 2940/08, 41626/08, 43616/08, Tehrani e.a. t. Turkije) stelt het EHRM dat de Turkse wetgeving geen rechtsmiddel voorziet om de wettigheid van detentie aan een rechtelijke controle te onderwerpen. Dit is een schending van artikel 5§4 EVRM.