Europees Hof voor de Rechten van de Mens
26763/18
(H.G.S. t. België) Art. 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) – art. 13 EVRM (daadwerkelijk rechtsmiddel) – asielaanvraag – procedurele verplichtingen – geloofwaardigheid – post traumatische stoornis – onvoldoende rekening gehouden met medische attesten – schijn van gebrek aan daadwerkelijk rechtsmiddel – nieuw onderzoek van alle bewijzen bij nieuwe asielaanvraag – schrapping van de rol

In deze zaak vermijdt België een eventuele veroordeling van het EHRM door een nieuw onderzoek van de asielaanvraag te beloven aan een jonge Afghaanse asielzoeker, die aan een post traumatische stoornis lijdt.

 

Feiten: asielaanvraag van Afghaanse asielzoeker met post traumatische stoornis, beschouwd als ongeloofwaardig door CGVS en RVV

 

Deze zaak is door een uitgeprocedeerde Afghaanse asielzoeker ingediend. Hij is etnisch Hazara en lijdt aan een mentale handicap door vervolgingen in Afghanistan. In 2011 is hij in België op de leeftijd van 18 jaar aangekomen. In 2016 is zijn asielaanvraag geweigerd door gebrek aan geloofwaardigheid. Volgens het CGVS kon de verzoeker niet op een duidelijke manier op basisvragen over zijn omgeving antwoorden. Medische attesten waaruit blijkt dat hij aan mentale stoornissen lijdt worden bij het beroep voor de RVV toegevoegd. De advocaat vraagt de vernietiging van de beslissing van het CGVS omdat de verzoeker geen verhoor heeft gehad dat was aangepast aan zijn medische situatie. De RVV bevestigt de weigering van het CGVS. In juli 2017 weigert het CGVS om een nieuwe asielaanvraag in overweging te nemen. Op 13 februari 2018 bevestigt de RVV die beslissing. Volgens de RVV kan het nieuwe rapport van een psychiater (van mei 2017), die de post-traumatische stoornis met ontwikkelingsstoornissen van verzoeker bevestigt, niet verklaren dat hij op simpele vragen niet kan antwoorden. Intussen heeft verzoeker een tijdelijke verblijfstitel van één jaar op basis van een regularisatieaanvraag gekregen (lange asielprocedure).

 

Voor het EHRM beweert de verzoeker dat België de procedurele verplichtingen van artikel 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) geschonden heeft. Hij verwijt dat de asielinstanties geen rekening hebben gehouden met zijn mentale stoornissen terwijl ze precies de oorzaak zijn van het twijfelen aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Hij beweert ook dat de RVV de bewijslast volledig bij hem heeft gelegd zonder hem het voordeel van de twijfel toe te kennen en dat de rechter zijn bewijzen (medisch rapport) niet met de nodige aandacht heeft onderzocht. Dit zou volgens verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (art. 13 EVRM) geschonden hebben.

 

Schrapping van de rol na belofte dat CGVS alle bewijzen bij een nieuwe asielaanvraag zal onderzoeken

 

Zoals in de recente zaak Basra t. België (besl., nr. 47232/17, 10 juli 2018[1]), heeft de Belgische staat deze zaak met succes in der minne geregeld om een (eventuele) veroordeling door het EHRM te vermijden. De Belgische regering waarborgt dat het CGVS voldoende rekening zal houden met alle bewijzen bij een eventuele nieuwe asielaanvraag. Het CGVS zal ook overwegen of de mentale stoornissen van verzoeker geen verklarende factor kunnen zijn voor de twijfel aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. In ruil voor die belofte doet verzoeker afstand van zijn procedure voor het EHRM die de zaak niet meer hoeft te onderzoeken. Het EHRM neemt akte van de minnelijke schikking en schrapt de zaak van zijn rol.




[1] Over de strategie van staten bij het gebruik van minnelijke schikking, zie afwijkende opinie van rechter Pinto bij de zaak S.J. t. België (GK, nr. 70055/10, 19 maart 2015).