Europees Hof voor de Rechten van de Mens
57467/15
(Savran t. Denemarken) Geen schending art. 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) – ernstig zieke vreemdelingen – criteria Paposhvili ook van toepassing bij psychische aandoening – ernstdrempel bij gebrek aan zorgen doorslaggevend – intens lijden of ernstige beperking van de levensverwachting – drempel art. 3 EVRM in casu niet bereikt – geen onderzoek naar de toegang tot de zorgen nodig – Schending art. 8 EVRM (recht op gezins- en privéleven) – gepleegde feiten gerelativeerd door gebrek aan strafrechtelijke aansprakelijkheid (internering) – sterke banden met Denemarken – onvoldoende belangenafweging door interne rechters

In deze zaak bevestigt de Grote kamer van het EHRM dat de Paposchvili criteria over de uitwijzing van zwaar zieke vreemdelingen ook bij psychische aandoening van toepassing zijn maar dat de terugkeer naar Turkije, na deelname aan strafbare feiten, van Dhr. Savran, die schizofreen is, artikel 3 EVRM niet heeft geschonden. Het EHRM oordeelt wel dat Denemarken artikel 8 EVRM  heeft geschonden wegens onvoldoende onderzoek en belangenafweging.  

 

Feiten: uitwijzing van zware schizofreen naar Turkije na internering in Denemarken

 

De verzoeker, Dhr. Savran heeft sinds 1991 in Denemarken gewoond, samen met zijn ouders, broers en zussen. Hij vervoegde zijn vader, op zesjarige leeftijd samen met zijn moeder. In 2008 wordt hij vervolgd wegens gewelddadige feiten met de verzwarende omstandigheid dat het slachtoffer overleden is. Hij wordt geïnterneerd en krijgt een uitwijzingsbeslissing. In 2014 oordeelt de Deense rechtbank van eerste aanleg dat zijn uitwijzing niet adequaat zou zijn, op basis van het verslag van een deskundig psychiater. Een jaar later, na beroep van het parket, beslist een Deens hoger hof dat Dhr. Savran zijn behandeling in Turkije zou kunnen voortzetten. Het baseert zich daarvoor op informatie uit de MedCOI (medische database van de Europese Commissie) over de toegang tot de geneesmiddelen in Turkije, en op een verslag van het Deense ministerie van Buitenlandse Zaken.

 

In 2019 heeft de kamer van het EHRM met een nipte meerderheid (4 rechters op 7) geoordeeld dat de uitwijzing van verzoeker naar Turkije artikel 3 EVRM zou schenden[1]. Op verzoek van de Deense regering werd de zaak naar de Grote kamer van het EHRM verwezen.  

 

De verzoeker werd in 2015 effectief naar Turkije uitgewezen, waar hij nog een uitkering van de Deense overheid van 1300 euro krijgt, volgens de Deense regering. Hij verblijft sindsdien in een dorp en blijft meestal thuis, heeft weinig contact met de dorpelingen door zijn gebrek aan kennis van de Turkse taal. Hij krijgt een medische opvolging in een ziekenhuis in de stad Konya (140 km van het dorp), door een arts maar niet door een psychiater. Door het gebrek aan psychiatrische opvolging, kan hij voor de Grote kamer van het EHRM geen recent medisch attest over zijn huidige medische situatie neerleggen.   

 

Voor de Grote Kamer beweert de Deense regering, samen met andere lidstaten van de Raad van Europa (Zwitserland, Nederland, Duitsland, Frankrijk, VK, Noorwegen en Rusland), dat de criteria gesteld door de Grote Kamer in 2016 in het arrest Paposhvili[2] aangepast moeten worden bij psychische aandoeningen. De verzoeker beweert dat zijn uitwijzing naar Turkije zowel artikel 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) als artikel 8 EVRM (recht op gezins- en privéleven) heeft geschonden.

 

Onderzoek naar de effectieve toegang tot de behandeling enkel verplicht indien de drempel van de Paposhvili criteria bereikt is

 

Het EHRM bevestigt de criteria van het arrest Paposhvili. Bij uitwijzing van ernstig zieke vreemdelingen wordt artikel 3 EVRM geschonden indien “er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat hij of zij, hoewel er geen imminent levensgevaar is, bij gebrek aan beschikbaarheid of toegankelijkheid van een adequate behandeling in het ontvangende land dreigt te worden blootgesteld aan een ernstige, snelle en onherstelbare achteruitgang in zijn of haar gezondheidstoestand die resulteert in intens lijden of een ernstige beperking van de levensverwachting”.

 

Naar aanleiding van het standpunt van veel staten, verduidelijkt het EHRM dat de gevolgen van de uitwijzing op de gezondheidstoestand van de vreemdeling eerst moeten worden onderzocht. Pas wanneer deze drempel van ernst is bereikt, worden de procedurele verplichtingen relevant (waaronder het onderzoek van de effectieve toegang tot de behandeling in het herkomstland). Als deze drempel niet wordt bereikt, is artikel 3 EVRM gewoon niet van toepassing, en dus de procedurele plichten (herhaald in § 130) ook niet (§135). Dan moeten de Staten geen verder onderzoek voeren en ook geen individuele waarborgen aan het herkomstland over de toegang tot de medische zorgen vragen.

 

Criteria Paposhvili zijn ook van toepassing bij psychische aandoeningen

 

Het EHRM gaat niet in op het verzoek van Denemarken voor een aanpassing van de Paposhvili criteria bij psychische aandoening. Die criteria worden als exhaustief beschouwd en zijn niet beperkt tot een bepaalde categorie ziekten: ze zijn dus ook van toepassing op psychische aandoeningen, mits de situatie van de betrokken patiënt voldoet aan alle genoemde criteria (§ 137). Het EHRM verduidelijkt ook het begrip “onherstelbaarheid van de achteruitgang van de gezondheidstoestand”. Het EHRM beschouwt het als een ruimer begrip, “dat een veelheid van factoren kan omvatten, waaronder de directe gevolgen van een ziekte en de meer indirecte gevolgen ervan” (§ 138). Ook al wordt het niet uitdrukkelijk vermeld, toch lijkt dit een negatief antwoord te zijn op de poging van het Verenigde Koningrijk om het risico op zelfmoord buiten beschouwing te laten (§113). Volgens het EHRM, “zou het onjuist zijn de verschillende elementen van dit criterium van elkaar te scheiden” en moeten de Staten elk individueel geval op basis van al deze elementen samen beoordelen.

 

Geen schending van artikel 3 EVRM: drempel in casu niet bereikt

 

Volgens de bovenvermelde principes, onderzoekt het EHRM eerst of de drempel van artikel 3 EVRM in casu bereikt is. Hoewel schizofrenie een ernstige geestesziekte is, kan het loutere feit dat verzoeker daaraan lijdt op zichzelf niet voldoende worden geacht om een situatie krachtens artikel 3 EVRM te doen rijzen (§ 141). De rechters focussen zich op de gevolgen van de uitwijzing op Dhr. Savran, zoals vermeld op de medische documenten neergelegd voor de Deense rechtbanken en voor het EHRM. Een terugval zou kunnen leiden tot een "heropleving van agressie" bij verzoeker en "het risico dat hij gewelddadige delicten pleegt aanzienlijk zou verhogen" wegens de verergering van zijn psychotische symptomen. Het EHRM stelt dat, “hoewel dergelijke gevolgen zeer ernstig en schadelijk zouden zijn geweest, zij niet konden worden geacht verzoeker "intens leed" te hebben berokkend” (§ 143). Het EHRM ziet ook geen overtuigend bewijs in het dossier dat verzoeker ooit een risico van zelf-agressief gedrag heeft gevormd. Uit de medische verslagen blijkt dat het groter risico van agressief gedrag bij gebrek aan behandeling meer de anderen dan de verzoeker zelf betreft (§144). Ook het risico van verslechtering van zijn immuniteit door een bepaald geneesmiddel komt niet in aanmerking omdat de beschreven gevolgen niet “onherstelbaar” zijn (§ 145).    

 

Het EHRM herhaalt wel “dat een zekere mate van speculatie inherent is aan de preventieve functie van artikel 3 EVRM en dat het er niet om gaat van de betrokkenen te eisen dat zij het onomstotelijke bewijs leveren van hun bewering dat zij het risico lopen van een verboden behandeling”. Toch is het EHRM van oordeel dat de verzoeker niet aangetoond heeft dat er gegronde redenen waren om aan te nemen dat hij door het ontbreken van toegang tot een passende behandeling in Turkije zou worden blootgesteld aan het risico beschreven door de criteria Paposhvili,

 

Volgens het EHRM is de drempel van artikel 3 EVRM in casu dus niet bereikt. De procedurele plichten van Denemarken zijn dus niet van toepassing.

 

In tegenstelling tot de kamer in 2019, onderzoekt de Grote kamer dus niet de effectieve toegang tot de behandeling in Turkije. Het feit dat Turkije 1,64 psychiaters per 100.000 inwoners telt, het laagste percentage van alle lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie (volgens de Atlas 2017 van de Wereldgezondheidsorganisatie over geestelijke gezondheid, § 93 van het arrest), is dus niet relevant. Ook de nood aan een referentiepersoon die ervoor zorgt dat hij zijn geneesmiddelen neemt en de – noodzakelijke volgens de kamer in 2019 – individuele waarborgen van de Turkse autoriteiten, zijn niet meer relevant. 

 

Doordat de drempel van de ernst niet bereikt wordt, is artikel 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) dus niet geschonden.

 

Schending artikel 8 EVRM: onvoldoende belangenafweging door te weinig aandacht voor de positieve evolutie na eind van internering

 

In 2019 besloot het EHRM  om de zaak niet op basis van artikel 8 EVRM (recht op gezins- en privéleven) te beoordelen, gezien de toen vastgestelde schending van artikel 3 EVRM. Nu onderzoekt de Grote Kamer wel dat aspect van de zaak.  

 

Verzoeker is in Denemarken op de leeftijd van 6 jaar aangekomen en heeft er tot zijn 30 jaar gewoond. Hij had nauwe banden met zijn moeder en zijn vier broers en zussen, ook al woonde hij niet met hen samen. Moet de zaak vanuit het aspect privéleven of gezinsleven beoordeeld worden? Verzoeker was 24 jaar oud bij de uitwijzing, heeft gedurende lange periodes vanaf kindertijd in tehuizen en niet met zijn ouders samengeleefd. Hoewel zijn schizofrenie een zware ziekte is, vindt het EHRM niet dat dat de ondersteuning van zijn gezinsleden in het dagelijkse leven noodzakelijk maakt. Op basis van die elementen, door gebrek aan een specifieke afhankelijkheidsband (ook niet financieel door het verkrijgen van Deense uitkeringen), beslist het EHRM om de zaak vanuit het aspect privéleven en niet vanuit gezinsleven te beoordelen.

 

Volgens de recente maar vaste rechtspraak hoeft het EHRM zijn eigen beoordeling van de zaak ten gronde (met name zijn eigen beoordeling van de feitelijke elementen met betrekking tot de evenredigheidskwestie) niet in de plaats stellen van die van de nationale rechters indien ze de feiten van de zaak zorgvuldig hebben onderzocht, de relevante mensenrechtennormen hebben toegepast op een wijze die strookt met het EVRM en de rechtspraak van het EHRM, en de persoonlijke belangen van de verzoeker naar behoren hebben afgewogen tegen het openbaar belang. De enige uitzonderingen op deze regel zijn gevallen waarin wordt aangetoond dat er ernstige redenen zijn om van de regel af te wijken. Dit is het geval in deze zaak.

  

Het EHRM stelt vast dat verzoeker, als schizofreen, kwetsbaarder is dan een gemiddeld gevestigd migrant en benadrukt dat zijn gezondheidstoestand een belangrijke factor is in het kader van de belangenafweging op basis van artikel 8 EVRM. Op dat vlak hebben de Deense rechters goed behandeld.  

 

Het EHRM merkt echter op dat een vrij lange periode is verlopen tussen het moment waarop de uitwijzingsbeslissing zelf definitief is geworden (2009) en het tijdstip waarop de beslissing in de procedure inzake de herroeping van de uitwijzingsbeslissing definitief is geworden (2015). De nationale autoriteiten moesten dus rekening houden met alle relevante veranderingen in zijn situatie die zich in die periode kunnen hebben voorgedaan, in het bijzonder met betrekking tot zijn gedrag.

 

Verzoeker heeft een gekwalificeerde overval gepleegd toen hij nog minderjarig was in 2001 en heeft in 2006 deelgenomen aan een groepsaanval die tot de dood van het slachtoffer heeft geleid. Het EHRM stelt vast dat, gelet op zijn geestelijke toestand ten tijde van de strafbare feiten, verzoeker niet aan een sanctie maar aan een verplichting tot behandeling was onderworpen, die een positief effect leek te hebben gehad, aangezien de maatregel van internering in een psychiatrische inrichting was opgeheven. In die omstandigheden, weegt de aard en de ernst van de feiten minder in de belangenafweging. De Deense rechters hebben volgens het EHRM te weinig aandacht besteed aan het gebrek aan strafrechtelijke aansprakelijkheid en aan de positieve evolutie van de verzoeker. Ze hebben zich beperkt tot het gebrek aan gezinsleven van de verzoeker in die zin dat hij zelf geen gezin had opgebouwd (noch partner, noch kinderen) zonder belangrijke factoren voldoende in acht nemen: de nauwe banden met zijn moeder, broers en zussen, zijn leven in Denemarken sinds hij 6 is waar hij zijn hele schoolloopbaan heeft gevolgd, zijn deelname aan de Deense arbeidsmarkt gedurende 5 jaar. Het negeren van al die elementen door de Deense rechters, wordt gekoppeld aan een definitief inreisverbod, dat Dhr. Savran geen enkel realistisch perspectief tot terugkeer in Denemarken geeft.

 

Op basis van die omstandigheden beoordeelt het EHRM dat de belangenafweging van de Deense autoriteiten gebrekkig was. Artikel 8 EVRM is dus geschonden.

 

Het EHRM acht dat de vaststelling van schending van artikel 8 EVRM volstaat om de morele schade te vergoeden en kent dus geen bedrag aan verzoeker toe.     

 

Afwijkende opinies

 

Volgens rechter Jelić was het gezinsleven, en niet enkel het privéleven, van Dhr. Savran wel doorslaggevend in deze zaak, wat ze in een eensluidende opinie uitlegt.

 

Rechter Serghides is de enige (op 17) die van mening is dat de uitwijzing van Dhr. Savran wel artikel 3 EVRM heeft geschonden. In een afwijkende opinie, stelt hij dat de Paposhvili criteria, zoals in deze zaak zijn geïnterpreteerd, het absoluut karakter van artikel 3 EVRM in het gedrang brengen. Hij verwijt de meerderheid de term "ernstig lijden" te hebben ontleend aan het arrest Paposhvili en daaraan evenveel gewicht toegekend te hebben als aan een verdragsbepaling die moet worden geïnterpreteerd. Volgens hem is het onderscheid tussen het risico om gevaarlijk te worden voor anderen en het risico om gevaarlijk te worden voor zichzelf kunstmatig en oppervlakkig.

 

Bovendien zijn die zes rechters (Kjølbro, Dedov, Lubarda, Haruntyunyan Kucsko-Stadlmayer, Poláčková) van mening dat de uitwijzing van de verzoeker artikel 8 EVRM niet geschonden heeft.  Volgens hen moet artikel 8 EVRM geen grotere bescherming bieden tegen de uitzetting van een vreemdeling die aan een lichamelijke of geestelijke ziekte lijdt dan artikel 3 EVRM. Ze zijn van mening dat een strafbaar feit de verwijdering rechtvaardigen, zelfs indien er geen gevaar voor recidive is, mits aan de criteria van het EHRM is voldaan. Ze betreuren dus dat het EHRM voor de eerste keer oordeelt dat het feit dat een verzoeker niet strafbaar is gesteld, maar in een psychiatrische inrichting is opgenomen, "tot gevolg heeft dat bij de globale afweging van de belangen minder gewicht wordt toegekend" aan de "aard en de ernst van het strafbare feit".




[2] EHRM (GK), 13 december 2016, nr. 41738/10, Paposhvili t. België, § 183.