Europees Hof voor de Rechten van de Mens
6865/19
(Feilazoo t. Malta) Schending art. 34 - Belemmering van de uitoefening van het recht op een individueel verzoekschrift voor het EHRM - Belemmering van de correspondentie tussen het EHRM en verzoeker door gevangenisautoriteiten, en ondoeltreffende vertegenwoordiging in rechte - Schending art 3 EVRM (materieel) - mensonterende behandeling - Inadequate detentieomstandigheden, in het bijzonder door de buitensporig strenge en lange periode van de facto isolatie, en blootstelling van verzoeker aan gezondheidsrisico's door onnodige plaatsing bij nieuwkomers in Covid-19 quarantaine – Schending artikel 5, lid 1 - Rechtmatige detentie - Gronden voor verzoekers detentie niet gedurende gehele periode geldig, gelet op later ontbreken van vooruitzicht op uitzetting - Gebrek aan actieve en zorgvuldige stappen van autoriteiten met het oog op uitzetting van verzoeker tijdens detentieperiode

In casu spreekt het EHRM zich uit tegen verschillende aspecten van de detentie van verzoeker, waaronder de tijd die hij in de facto isolatie zonder lichaamsbeweging heeft doorgebracht, en een daaropvolgende periode waarin hij onnodig samen met mensen in Covid-19 quarantaine heeft doorgebracht. Over het geheel genomen acht het EHRM de omstandigheden inadequaat. Het EHRM oordeelt ook dat de autoriteiten niet zorgvuldig genoeg waren geweest bij de behandeling van zijn uitzetting en dat de redenen voor de detentie van verzoeker niet langer geldig waren. Het EHRM oordeelt eveneens dat de autoriteiten het recht van verzoeker om een verzoekschrift in te dienen bij het EHRM niet hebben gewaarborgd, aangezien zij met zijn correspondentie hebben geknoeid en hem geen adequate wettelijke vertegenwoordiging hebben gewaarborgd. De verzoeker krijgt 25.000 euro schadevergoeding toegekend.

Feiten: uitzetting Nigeriaans onderdaan, detentie in COVID-19 context

De verzoeker is Joseph Feilazoo, een Nigeriaans onderdaan die in 1975 is geboren en in Malta woont. Op 23 februari 2010 pleit verzoeker schuldig aan drugsdelicten waarvoor hij een gevangenisstraf, een geldboete en kostenveroordeling krijgt. Aangezien hij niet in staat was deze te betalen, wordt hij veroordeeld tot een aanvullende gevangenisstraf van 22,5 maanden. Kort voor zijn vrijlating verklaart verzoeker dat hij zou terugkeren naar Spanje, waar hij eerder heeft verbleven. Volgens de regering hebben de Spaanse autoriteiten de toestemming tot terugkeer geweigerd. Na zijn vrijlating wordt hij in plaats daarvan naar het Immigratiebureau gebracht, waar hem wordt meegedeeld dat hij zou worden teruggestuurd naar Nigeria. Hij wordt beschouwd als een "verboden immigrant", die het risico vertoont onder te duiken.

Op een bepaald moment zou verzoeker agressief zijn geworden, waarbij hij gevangenispersoneel schade zou hebben berokkend en zelfs zou hebben gebeten; er zou pepperspray tegen verzoeker zijn gebruikt. Hij wordt naar het ziekenhuis gebracht, waar een aantal verwondingen worden vastgesteld, die later door een deskundigenrapport worden bevestigd. De twee gewonde agenten dienen een klacht in bij de politie. De verzoeker wordt later schuldig bevonden en veroordeeld tot een geldboete en een gevangenisstraf. In hoger beroep wordt de straf verminderd en wordt de onmiddellijke uitzetting van verzoeker bevolen. Hij wordt echter teruggestuurd naar de gevangenis omdat hij de boete van 4.000 euro niet kan betalen.

De verzoeker stelt dat hij tijdens zijn verblijf in de gevangenis was overgeplaatst naar verschillende veiligheidsregimes om zijn toegang tot rechtsbijstand te belemmeren. Op 14 september 2019 wordt hij vrijgelaten om vervolgens in vreemdelingen detentie te worden geplaatst, waar hij tot 13 november 2020 bleef.

De Nigeriaanse autoriteiten weigerden een reisdocument af te geven en verzoeker is dus nog niet uitgezet. Op 19 augustus 2019 heeft verzoeker zijn verzoekschrift ingediend, waarbij de regering in kennis is gesteld van veel van zijn klachten. De toenmalige rechtshulpvertegenwoordiger van verzoeker had geen latere correspondentie of opmerkingen ingediend, ondanks een verzoek daartoe, waarbij verzoeker stelde dat hij niet door die advocaat was benaderd en dat hij geen rechtsbijstand had gekregen. Het is gebleken dat wegens moeilijkheden tussen verzoeker en zijn raadsman, laatstgenoemde had verzocht om te worden verwijderd van de zaak. De rechter heeft zich hierover echter niet uitgesproken wegens de Covid-19-pandemie.

Schending artikel 3 EVRM: langdurige isolatie en onnodige quarantaine

Het EHRM herhaalt dat de staat er moet voor zorgen dat wanneer mensen worden gedetineerd, dit in omstandigheden is, die de menselijke waardigheid eerbiedigen en onnodige ontberingen vermijden. Het EHRM merkt op dat het reeds zijn bezorgdheid heeft geuit over de geschiktheid van de plaats en de omstandigheden van de detentie van verzoeker in de kazerne Safi. De omstandigheden zijn daar nog verergerd door de Libische crisis.

Het EHRM stelt dat de verzoeker foto's van de omstandigheden van de detentie heeft voorgelegd, maar dat de regering zich heeft beperkt tot algemene, niet-onderbouwde verklaringen. Het EHRM merkt voorts op dat de regering niet voldoende gegevens heeft verstrekt over het aantal gedetineerden en mogelijke overbevolking, en dat de verzoeker evenmin voldoende informatie heeft verstrekt, zodat het EHRM op dit gebied geen conclusies kan trekken. Het EHRM is echter wel bezorgd over de verschillende andere aspecten van de beweringen van verzoeker die de regering niet heeft weerlegd. Het betreft onder meer de ventilatie, functionerende toiletten en ongedierte. In het bijzonder is het EHRM getroffen door het feit dat verzoeker 77 dagen alleen had vastgezeten zonder toegang tot daglicht, en gedurende een groot deel van die tijd had hij ook geen toegang tot lichaamsbeweging. Het EHRM was ook zeer bezorgd over de beweringen dat verzoeker was gehuisvest bij mensen die in Covid-19 quarantaine waren ondergebracht zonder dat daar een medische reden voor leek te bestaan. In het licht daarvan oordeelt het EHRM dat artikel 3 EVRM werd geschonden.

Schending artikel 5 EVRM: detentie niet gedurende de gehele periode rechtmatig

Het EHRM herhaalt dat artikel 5 een fundamenteel mensenrecht verankert, namelijk de bescherming van het individu tegen willekeurige inmenging door de staat in zijn of haar recht op vrijheid.

De regering voerde aan dat verzoekers detentie vanaf 15 september 2019 was begonnen met het oog op zijn uitzetting en dat de autoriteiten in die periode hadden geprobeerd om voor verzoeker een paspoort te verkrijgen.

Het EHRM aanvaardt niet dat de gehele periode van detentie duidelijk met het oog op uitzetting is geweest en dat de autoriteiten tijdens de detentie van veertien maanden met voortvarendheid hebben gehandeld, aangezien het er niet op lijkt dat de autoriteiten de paspoortkwestie voldoende met de Nigeriaanse autoriteiten hebben doorgenomen. Het EHRM concludeert dat de redenen voor de detentie van verzoeker derhalve niet gedurende de gehele periode geldig zijn gebleven. Het EHRM stelt dus een schending vast van het recht op vrijheid en veiligheid van verzoeker.

Schending artikel 34 EVRM: ongerechtvaardigde inmenging in zijn recht om een individueel verzoek in te dienen

Het EHRM herhaalt dat het van belang is dat verzoekers of potentiële verzoekers krachtens artikel 34 EVRM vrijelijk met het EHRM kunnen communiceren zonder dat zij worden blootgesteld aan enige vorm van druk van de autoriteiten om hun klachten in te trekken of te wijzigen. In deze zaak is het EHRM van oordeel dat de autoriteiten hadden nagelaten ervoor te zorgen dat verzoeker de mogelijkheid had gekregen om afschriften te verkrijgen van documenten die hij nodig had om zijn verzoek te staven, en dat zijn correspondentie over de zaak voor het EHRM niet vertrouwelijk was behandeld, zodat er sprake was van een ongerechtvaardigde inmenging in zijn recht om een individueel verzoek in te dienen. Het EHRM stelt eveneens vast dat de vertegenwoordiging van verzoeker ontoereikend is geweest, gelet op, met name het gebrek aan voortvarendheid bij de behandeling van zijn zaak, het ontbreken van regelmatig contact tussen advocaat en cliënt ondanks de verzoeken van het EHRM, en het stilzitten van de autoriteiten om de situatie recht te zetten. In het licht van het voorgaande stelt het EHRM een schending vast van het recht van verzoeker op individueel beroep.