Europees Hof voor de Rechten van de Mens
42305/18
(Ozdil e.a. t. Moldavië) Schending art. 5 §1 EVRM (recht op vrijheid en veiligheid) – Turkse asielzoekers – vermoedelijke leden van de Gülen-beweging – onrechtmatige arrestatie en uitwijzing naar Turkije voor beslissing asiel – operatie van geheime diensten – Schending art. 8 EVRM (recht op gezins- en privéleven) – onrechtmatige uitlevering – niet voorzien door de wet

In deze zaak oordeelt het EHRM dat de irreguliere uitlevering van Turkse asielzoekers, vermoedelijke leden van de Gülen beweging, die wettig en langdurig in Moldavië verbleven door de Moldavische geheime diensten in samenwerking met hun Turkse collega’s, zowel artikel 5 als artikel 8 EVRM geschonden heeft.

 

Feiten: ontvoering en irreguliere uitwijzing van Turkse asielzoekers door Moldavische en Turkse geheime diensten

 

Dhr. Ozdil en vier collega’s waren leerkrachten in een privé school van het Orizon netwerk in Moldavië. Ze verbleven allemaal wettig in Moldavië, sommigen al meer dan 20 jaar. Na de poging tot staatsgreep in Turkije van juli 2016 vragen de Turkse autoriteiten aan Moldavië de sluiting van de Orizont scholen. Ze beschuldigen de leerkrachten van terrorisme voor hun vermoedelijke banden met de beweging van Fetullah Gülen, beschouwd door de Turkse regering als het brein achter de mislukte coup. Nadat de schooldirecteur door de Moldavische geheime diensten werd verhoord over de aantijgingen van banden met een terroristische organisatie, vragen de leerkrachten op 6 april 2018 asiel aan. Op 6 september 2018 worden ze  ‘s ochtend door agenten in burger aangehouden. Op dezelfde dag berichtten de Turkse media over een succesvolle operatie van de Turkse geheime diensten in Moldavië die tot de arrestatie van leden van de Gülen beweging heeft geleid. Familieleden, collega’s en mensenrechtenverdedigers brengen de hele dag in de luchthaven van Chisinau door om de verwijdering te stoppen. Tevergeefs. Ze vernemen later, na weken zonder nieuws van de vermisten, dat ze dezelfde morgen onmiddellijk naar Turkije werden overgebracht met een speciaal gecharterd vliegtuig.

 

Voor het EHRM roepen de vijf verzoekers de schending van zowel artikel 5 (recht op vrijheid en veiligheid), artikel 8 (recht op gezins- en privéleven) als artikel 1 van Protocol nr. 7 (procedurele waarborgen met betrekking tot de uitzetting van vreemdelingen) in. Het EHRM onderzoekt enkel de twee eerste middelen.

 

Schending artikel 5 §1 EVRM: illegale aanhouding

 

Volgens de Moldavische regering zijn de verzoekers aangehouden met het oog op verwijdering naar hun herkomstland, Turkije, op basis van artikel 5§1 f) EVRM. De basis daarvoor zouden de zogezegde weigeringen van de asielaanvragen zijn op 4 en 5 september 2018. Het EHRM betwijfelt dit ten zeerste op basis van verschillende vaststellingen. Vooreerst werden de asielbeslissingen pas na de verwijdering betekend aan de familieleden die nog in Moldavië verbleven. Ten tweede verklaarde de directrice van de Moldavische asielinstantie op 7 september in de pers dat de asieldienst niet bij de operatie betrokken was. Ook de inhoud van de beslissingen trekt de aandacht. Volgens de asieldienst voldeden de verzoekers wél aan de wettelijke voorwaarden om internationale bescherming te krijgen maar werd hun aanvraag verworpen om nationale veiligheidsredenen, op basis van een geclassificeerde nota van de geheime diensten. Ten derde merkt het EHRM op dat de gezamelijke operatie van de Moldavische en Turkse veiligheidsdiensten goed op voorhand is georganiseerd, onder meer omdat een vliegtuig werd gecharterd. Ten slotte stelt het EHRM vast dat de operatie bedacht en uitgevoerd is om een verrassingseffect te bekomen: de verzoekers konden zich in geen geval verdedigen of hun verwijdering voor het gerecht betwisten. Om al die redenen besluit het EHRM dat de vrijheidsberoving van de verzoekers uit een buitengerechtelijke overdracht naar Turkije bestond. Dat was noch rechtmatig, noch nodig in de zin van art. 5§1 f) van het EVRM. Zo is artikel 5§1 EVRM geschonden.

 

Schending artikel 8 EVRM: inmenging niet voorzien door de wet

 

Voor hun overdracht naar Turkije werkten en verbleven alle verzoekers wettig in Moldavië. De vrouwen en kinderen van sommigen onder hen hebben de Moldavische nationaliteit. Geen enkele partij betwist dat hun gedwongen verwijdering naar Moldavië een ernstige inmenging in hun recht op gezins- en privéleven was. Artikel 8 EVRM beschermt de individuen tegen willekeurige inmenging van de overheid in hun gezins- en privéleven. Het EHRM herhaalt dat de nodige waarborgen tegen willekeur ook toepasselijk zijn bij maatregelen genomen om nationale veiligheidsredenen. De betrokken persoon moet de gelegenheid krijgen om de verwijderingbeslissing voor een onafhankelijk en onpartijdig orgaan te betwisten. Dat orgaan moet bevoegd zijn om alle relevante juridische en feitelijke elementen te onderzoeken (§68). In casu hebben de verzoekers hun verwijdering niet kunnen betwisten voor ze naar Turkije zijn overgedragen. Nadien hebben de Moldavische rechtbanken geen onderzoek gevoerd over de verenigbaarheid van de maatregel met hun privéleven. Hun vordering werd onontvankelijk verklaard op basis van louter formalistische redenen (de volmacht van de advocaat was niet door henzelf maar door hun Moldavische familieleden ondertekend). Daardoor oordeelt het EHRM dat ze niet van de minimale bescherming tegen willekeur van de overheid hebben genoten. De inmenging in hun gezins- en privéleven was dus niet “door de wet voorzien” zoals verreist door art. 8 EVRM, dat dus geschonden is.