Europees Hof voor de Rechten van de Mens
59793/17
(M.A. en anderen t. Litouwen) Schending art. 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) – gezin Tsjetsjeense asielzoekers – geen toegang tot asielprocedure aan de grens – schending art. 13 EVRM (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel)

In dit arrest veroordeelt het EHRM de Litouwse overheid voor een schending van zowel artikel 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) als van artikel 13 EVRM (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel). Dit omdat de Litouwse overheid (impliciet) heeft geweigerd om de asielaanvraag van een Tsjetsjeens gezin aan de grens te registreren. Het EHRM veroordeelt Litouwen tot een schadevergoeding van 22.000 euro.

 

Feiten: Tsjetsjeens gezin probeert drie maal asiel te vragen aan de Litouwse grens

 

De verzoekers in deze zaak zijn een Tsjetsjeens koppel en hun vijf kinderen,. De man beweert dat hij werd gefolterd door de veiligheidsdiensten omdat hij weigerde een informant te worden. In april 2017 ontvluchtte het gezin Rusland naar Belarus en probeerden ze meermaals asiel aan de Poolse grens te vragen, zonder succes. Nadien hebben ze drie maal (16 april, 11 en 22 mei 2017) op drie verschillende grensposten een asielaanvraag ingediend bij de Litouwse grenswachters. Elke keer kregen ze een beslissing van weigering tot binnenkomst, met als reden dat ze geen geldige visa of verblijfstitels hadden. Ze zijn teruggeleid naar Belarus, soms na opsluiting aan de grenspost gedurende een paar uren of één nacht. Ze hebben een verzoekschrift bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ingediend, eerst tegen Polen en nadien tegen Litouwen. In 2018 zijn ze erin geslaagd om hun asielaanvraag aan de Poolse grens in te dienen. Ze verblijven in een opvangcentrum in Polen.          

 

Voor het EHRM beweren ze allebei dat hun terugdrijvingen naar Belarus artikel 3 EVRM (verbod op onmenselijke en vernederende behandeling) en 13 (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel) geschonden heeft.

 

Beoordeling van de feiten: redelijk bewijs dat verzoekers wel asiel willen aanvragen

 

Omdat Litouwen vaak wordt beschouwd als een transitland om West-Europa te bereiken, betwist de Litouwse regering dat de verzoekers hun wil om internationale bescherming hebben uitgedrukt voor de grenswachters. Op basis van verschillende omstandigheden concludeert het EHRM dat ze wel asiel hebben willen aanvragen. Ten eerste, noteert het EHRM dat de verzoekers zich drie maal op een Litouwse grenspost hebben aangemeld, zonder te verbergen dat ze geen geldige visa hadden, wat verenigbaar is met het gedrag van mensen die asiel aan de grens willen vragen (§107). Ten tweede merkt het EHRM op dat ze bij hun eerste poging op de zeven beslissingen het woord “azul” in het cyrillisch hebben geschreven in plaats van hun handtekeningen. Dat woord “azul”, met de betekenis ‘asiel’, wordt door Tsjetsjeense asielzoekers vaak gebruikt. De grenswachters hadden daarmee rekening moeten houden volgens het EHRM (§109). Dit punt wordt betwist door drie rechters die het te streng vinden ten aanzien van de Litouwse autoriteiten. Bij hun laatste poging, hadden de verzoekers een asielaanvraag in het Russisch door een Belarussische mensenrechten NGO laten opstellen en beweren ze dat ze die geschreven aanvraag aan de grenspost hebben doorgegeven. Ze hebben foto’s van het document samen met hun treintickets genomen en voor het EHRM neergelegd. Het EHRM ziet geen reden om dit te betwijfelen (behalve de drie rechters van de minderheid). Van de tweede poging hebben ze geen bewijs maar het EHRM stelt vast dat hun verhaal klopt met verslagen van de grenswachters over de datum, uren en omstandigheden van hun aanmelding aan de grens. Het EHRM merkt ook op dat het verhaal van de verzoekers kan gesteund worden door vaststellingen van het UNHCR en van het VN-Mensenrechtencomité die problemen hebben vastgesteld met toegang tot asielprocedures aan de grens in Litouwen. Op basis van al die elementen concludeert het EHRM dat verzoekers wel drie maal proberen asiel bij de Litouwse grensposten aan te vragen. Ze moeten dus als asielzoekers beschouwd worden en niet als gewone vreemdelingen die de grens op onrechtmatige wijze proberen over te steken (drie rechters delen dat standpunt niet).                 

 

Schending artikel 3 EVRM: risico op onrechtstreekse refoulement vanuit Belarus naar Rusland

 

Of een ernstig risico op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer naar Tsjetsjenië in hoofde van de verzoekers bestaat, is volgens het EHRM geen centrale kwestie in deze zaak. Wel cruciaal is de vraag of de Litouwse autoriteiten een adequaat onderzoek van dat ingeroepen risico gevoerd hebben toen de verzoekers zich aan de grens hebben aangemeld (§105).    

 

Het EHRM stelt vast dat Litouwse grenswachters nooit de wil van de verzoekers om asiel aan te vragen onder de aandacht van hun oversten hebben gebracht. Ze hebben ook nooit de aanvragen aan de bevoegde autoriteiten doorgegeven. Uit geen enkel document blijkt dat de grenswachters ooit trachtten te verduidelijken om welke andere redenen dan asiel een Tsjetsjeens gezin aan een grenspost zonder geldige visa of verblijfstitel zich zou aanmelden (§ 113). Het gevolg daarvan is dat het gezin naar Belarus teruggeleid is zonder enig onderzoek van hun asielaanvraag. Het EHRM stelt vast dat Belarus in geen geval als een veilig derde land mag beschouwd worden. Belarus is geen partij bij het Vluchtelingenverdrag, heeft geen grondige asielprocedure en het risico op onrechtstreeks refoulement naar Rusland is ernstig. Het EHRM concludeert logischerwijze dat de terugdrijving van de verzoekers naar Belarus zonder enig onderzoek van hun risico op mishandeling in Tsjetsjenië een schending van artikel 3 EVRM met zich meebrengt.

      

Schending artikel 13 EVRM: beroep zonder automatisch schorsend effect is geen daadwerkelijk beroep

 

De verzoekers hebben de beslissingen tot weigering van binnenkomst niet voor de Litouwse rechtbanken aangevochten. Volgens de Litouwse regering, hebben ze dus de interne rechtsmiddelen niet uitgeput en is hun verzoekschrift onontvankelijk. Het EHRM volgt die redenering niet en merkt op dat het beroep geen automatisch schorsend effect heeft (§83). Hadden ze het beroep ingediend, dan moesten de verzoekers toch in Belarus verblijven in afwachting van de Litouwse procedure. Een dergelijk beroep kan niet als daadwerkelijk worden beschouwd. Het EHRM stelt dus ook een schending van artikel 13 EVRM vast.

 

Het EHRM neemt dit arrest met een kleine meerderheid van vier stemmen voor en drie tegen. Rechters Ravarani, Bosnjak en Paczolay zijn het niet eens met de conclusie van het arrest. In een korte afwijkende opinie (4 p.) willen ze een duidelijk onderscheid maken tussen uitwijzingen vanop het grondgebied (waar duidelijke waarborgen van toepassing zijn) en weigeringen van binnenkomst tot het grondgebied (waar de soevereiniteit van de staat ruimer zou zijn).

 

In een uitgebreidere en goed gedocumenteerde eensluidende opinie verdedigt rechter Pinto de Albuquerque het standpunt van de meerderheid, dat volgens hem volledig kadert in het unaniem genomen arrest Hirsi Jamaa[1] van de Grote Kamer, en van het recentere kamerarrest N.D. en N.T. t. Spanje[2] (dat nu ook in april 2019 door de Grote Kamer wordt onderzocht).




[1] Hirsi Jamaa, 23 februari 2012, nr. 27765/09.

[2] N.D. en N.T. t. Spanje, 3 oktober 2017, nr. 8675/15 en 8697/15.