Europees Hof voor de Rechten van de Mens
13442/08
(A.G.R. t. Nederland) Artikel 3 EVRM – verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling - artikel 1F Vluchtelingenverdrag (uitsluiting) – terugkeer naar Afghanistan

EHRM, 12 januari 2016, nr. 13442/08, A.G.R. tegen Nederland; EHRM, 12 januari 2016,  nr. 25077/06, A.W.Q. et D.H. tegen Nederland; EHRM, 12 januari 2016, nr. 46856/07,M.R.A. en anderen tegen Nederland; EHRM, 12 januari 2016, nr.  8161/07, S.D.M. en andere tegen Nederland; EHRM, 12 januari 2016, nr. 39575/06, S.S. t. Nederland 

In deze vijf zaken boog het EHRM zich over de nakende uitwijzing van vijf Afghaanse asielzoekers, waarvan de meeste tijdens het communistische regime hooggeplaatste officieren waren in het Afghaanse leger en/of de veiligheidsdiensten. In elk van de vijf zaken stelde het EHRM vast dat er geen schending was van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat een uitzetting van deze mannen naar Afghanistan geen inbreuk is op het EVRM.

 

Feiten

 

1.Profiel van de verzoekers

 

In de eerste zaak betrof het een Afghaan die tussen 1982-1992 voor de Afghaanse veiligheidsdiensten werkte. Hij werd meerdere malen gepromoveerd tot hij in 1992 het land moest ontvluchten toen de Mujahideen aan de macht kwamen. Na een eerste verblijf in Pakistaan vroeg hij in 1997 asiel aan in Nederland.

 

In de twee zaak ging het om een Afghaans koppel waarvan de man sinds 1981 militair was in het Afghaanse leger. Hij bereikte de rang van kapitein en werd in 1990 benoemd tot ‘first secretary’ van het Militair Museum in Kaboel. Na de val van het communistische regime in 1992 verbleef hij aanvankelijk nog in Kaboel, waarna hij zich in Kunduz ging vestigen. Hij werd gearresteerd en vastgehouden door de Taliban. Toen hij daar kon ontsnappen, vluchtte hij samen met zijn familie in 1999 naar Nederland.

 

In de derde zaak was de man, hoofd van een gezin met drie kinderen, een bouwkundig ingenieur, met de status van majoor. Toen de Mujahideen aan de macht kwamen kon hij nog enkel jaren als ingenieur werken tot de Taliban aan de macht kwam. Hij vluchtte samen met zijn familie in 1999 naar Nederland.

 

De verzoekers in de vierde zaak bestonden uit een gescheiden echtpaar en hun kind. De man werkte  van 1988-1992 voor de Afghaanse veiligheidsdiensten, waar hij de rang van tweede luitenant had. Toen het communistische regime werd omvergeworpen in 1992 bleef hij in Herat  werken onder de Mujahideen. Toen de Taliban de macht greep werd hij ter dood veroordeeld door een Taliban- tribunaal voor samenzwering. Uit angst voor zijn leven vluchtte hij in 1996 naar Turkmenistan. Vandaaruit reisde hij kort nadien naar Nederland.

 

In de laatste zaak ging het een Afghaanse man die lieutenant-kolonel was in de Afghaanse veiligheidsdiensten. Na de val van Kaboel in 1992, vluchtte hij naar Mazar-e-Sharif. Toen de Mujahideen daar de stad overnamen, vluchtte hij eerst naar Pakistan en vervolgens in 1998 naar Nederland.

 

2. De procedure in Nederland: toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag

 

Alle verzoekers vroegen asiel aan in Nederland omdat ze vervolging vreesden van de Mujahideen en/of Taliban omwille van hun persoonlijke en professionele situatie, en de algemene onveiligheid in het land. Bijna elk van hun gezinsleden kregen een beschermingsstatus. Voor de mannen echter haalden de Nederlandse autoriteiten aan dat ze de uitsluitingsgronden uit artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag toepasten. De asielinstanties baseerden deze besluiten op een verslag van februari 2000 van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, waaruit bleek dat er ernstige redenen waren om te geloven dat vrijwel elke Afghaanse asielzoeker met de rang van derde lieutenant of hoger, tijdens het communistische regime in Afghanistan betrokken was bij schendingen van de mensenrechten. Na het voeren van een individueel onderzoek naar hun verantwoordelijkheid oordeelden de asielinstanties dat elk van hen niet anders kon dan op de hoogte zijn van de wetteloze methoden - waaronder marteling.

 

De Nederlandse autoriteiten onderzochten en concludeerden dat een uitzetting van de verzoekers niet strijdig zou zijn met artikel 3 EVRM (verbod van onmenselijke of vernederende behandeling) omdat verzoekers niet konden aantonen dat ze vervolging in Afghanistan zouden moeten vrezen omwille van hun banden met het voormalige communistische regime. Voor drie van de verzoekers werden wel interim maatregelen bekomen.

 

Het EHRM: geen schending artikel 3 EVRM

 

In elk van de zaken oordeelde het EHRM dat een uitzetting naar Afghanistan geen inbreuk is op artikel 3 EVRM. De mannen zouden immers onvoldoende aangetoond hebben dat zij bij een terugkeer voor hun leven moeten vrezen. Het EHRM verwees naar actuele landeninformatie van onder meer EASO, waaruit zou blijken dat de situatie in Afghanistan niet dermate gevaarlijk is, en een uitzetting dus in overeenstemming is met de mensenrechtenstandaarden uit het EVRM.

 

In de arresten herinnerde het EHRM aan zijn vaste rechtspraak dat het in asielzaken niet aan het EHRM is om de asielaanvraag te onderzoeken of na te gaan of de nationale autoriteiten de juiste invulling hebben gegeven aan het Vluchtelingenverdrag. Het EHRM onderzocht wel de beoordeling die de nationale autoriteiten hieromtrent maken. Deze moet adequaat zijn en voldoende worden ondersteund door de binnenlandse informatie en informatie uit andere betrouwbare en objectieve bronnen, zoals, bijvoorbeeld, gezaghebbende NGO’s, agentschappen van de Verenigde Naties.[1]

 

Om het bestaan van het risico op onmenselijke behandeling te beoordelen, moet gekeken worden naar de feiten zoals deze bij de staat gekend waren of hadden moeten gekend zijn op het moment van de uitzetting.[2] In deze zaken waren betrokken nog niet uitgezet. Bijgevolg moet gekeken worden naar de feiten zoals gekend op het ogenblik dat de zaken worden behandeld. Niettegenstaande het belang van de historische situatie op de huidige positie en de evolutie daarvan, zijn het de huidige omstandigheden die doorslaggevend zijn.

 

Geen van de verzoekers kon aantonen dat zij bij een terugkeer vervolgd zouden worden of het slachtoffer zouden worden van een onmenselijke of vernederende behandeling. Het EHRM verwees daarbij ook naar de richtlijnen van het UNHCR[3] uit 2010, waarin het UNHCR personen die voor de Afghaanse veiligheidsdiensten en/of het leger hebben gewerkt tijdens het communistische regime niet langer oplijst als specifieke categorieën van personen die worden blootgesteld aan een mogelijke vervolging in Afghanistan.

 

Bij gebrek aan specifieke elementen gelinkt aan hun individuele situatie, onderzocht het EHRM vervolgens of de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan dermate slechts was, dat een uitzetting een schending van artikel 3 EVRM zou inhouden. Het EHRM verwees hierbij naar een eerder arrest uit 2013[4], waarin het stelde dat er in Afghanistan geen algemene situatie van geweld is dat een terugkeer een onmenselijke en vernederende behandeling zou opleveren. Rekening houdend met de landeninformatie en bewijzen die werden aangeleverd in deze zaken, komt het EHRM hier tot dezelfde conclusie.




[1] zie EHRM, 8 juli 2014, nr. 58363/10, ME v. Denemarken, §§ 47-51.

[2] zie EHRM, 23 februari 2012 nr. 27765/09, Hirsi Jamaa en anderen v. Italië, § 121.

[3] UN High Commissioner for Refugees (UNHCR), UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Afghanistan, 17 December 2010, HCR/EG/AFG/10/04, available at: http://www.refworld.org/docid/4d0b55c92.html

[4] EHRM, 9 april 2013, nr. 70073/10 en 44539/11, H. and B. v. the United Kingdom §§ 92-93.