Europees Hof voor de Rechten van de Mens
25244/18
(N.A. t. Finland) Rechtsmisbruik (artikel 35 § 3 (a) van het EHRM) – Herziening van een arrest van het EHRM (artikel 80 van het Procedurereglement) – toen vastgestelde schending van art. 2 EVRM (recht op leven) en 3 (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) door overlijden na verwijdering van uitgeprocedeerde asielzoeker naar Irak – Fraude en gebruik van valse documenten (overlijdensakte) – Feit doorslaggevend en onbekend door het Hof bij oorspronkelijk arrest – Arrest van 14 november 2019 vernietigd – verzoekschrift onontvankelijk verklaard

Feiten: Irakese verzoeker had een valse overlijdensakte van haar vader gebruikt

 

Op 14 november 2019 heeft het EHRM geoordeeld dat Finland de artikelen 2 (recht op leven) en 3  (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) van het EVRM heeft geschonden met betrekking tot de overleden vader van verzoekster, een uitgeprocedeerde asielzoeker die slechts enkele weken na zijn terugkeer in Irak overleed. Het EHRM had Finland veroordeeld tot de betaling van 20.000 euro aan de verzoekster als morele schadevergoeding.

 

Uit een onderzoek gevoerd door de Finse politie sinds februari 2020 blijkt dat de overlijdensakte van de vader en de processen-verbalen van de Irakese politie over zijn vermoedelijke dood vervalst waren. In april 2020 hebben de Irakese autoriteiten het vervalste karakter van die stukken bevestigd. Na haar aanhouding heeft de verzoekster toegegeven dat haar vader nog in leven was en dat de aan het EHRM voorgelegde documenten niet authentiek waren.

 

In februari 2021 heeft een Finse districtsrechtbank de verzoekster wegens fraude en gebruik van valse documenten tot één jaar en 10 maanden cel veroordeeld. Volgens de rechtbank heeft ze de vervalste documenten gebruikt als misleidend bewijs, zowel voor de administratieve rechtbank van Helsinki, ter verkrijging van een verblijfsvergunning, als voor het EHRM, ter ondersteuning van haar klacht dat de autoriteiten van Finland de mensenrechten van verzoeksters vader hadden geschonden door de risico's van zijn terugkeer naar Irak niet naar behoren te beoordelen, en om een morele schadevergoeding te krijgen.

 

Herziening van het arrest van het EHRM

 

Volgens artikel 80 van het procedurereglement van het EHRM, kan een partij een verzoek tot herziening van een arrest indienen in geval van ontdekking van een feit dat naar zijn aard van beslissende invloed kan zijn en dat op het tijdstip van de uitspraak van het arrest onbekend was aan het EHRM en redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn aan die partij. Het verzoek moet binnen een termijn van 6 maanden vanaf de ontdekking van dat feit ingediend worden.

 

In casu stelt het EHRM dat de 6 maanden termijn begint te lopen niet vanaf de eerste beweringen van gebruik van valse documenten bij de politie (februari 2020) maar pas nadat de Irakese autoriteiten de vervalsing aan de Finse autoriteiten bevestigden (april 2020) (§ 10). 

 

In haar opmerkingen voorafgaand aan het arrest van 14 november 2019 had de Finse regering enkel vermeld dat zij niet in staat was geweest om de echtheid na te gaan van de akte van overlijden van verzoeksters vader, zonder enige opmerking te maken dat dit document al dan niet als bewijs kon of mocht worden gebruikt bij het onderzoek van verzoeksters klacht. Daardoor is het EHRM ervan overtuigd dat de regering destijds redelijkerwijs niet kon weten of vermoeden dat het document waarop verzoekster zich baseerde, in werkelijkheid vervalst was.

 

Door de bekentenis van de verzoekster en haar veroordeling door de Finse rechtbank wegens fraude en gebruik van vervalste documenten, is er geen twijfel dat ze het EHRM opzettelijk heeft misleid over de essentie van haar verzoekschrift. Krachtens artikel 35 § 3 (a) van het EHRM wordt het oorspronkelijke verzoekschrift onontvankelijk verklaard.

 

Op basis van die elementen beslist het EHRM om het arrest van 14 november 2019 in zijn geheel te vernietigen.