Europees Hof voor de Rechten van de Mens
75953/16
(D. en anderen t. Roemenië) Geen schending art. 2 (recht op leven) en art. 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) – uitwijzing van Soenniet naar Irak na veroordeling gerelateerd aan terrorisme – onvoldoende individueel risico – schending art. 13 EVRM (daadwerkelijk rechtsmiddel) – Beroep niet van rechtswege schorsend – geen schending artikel 8 EVRM (recht op gezins- en privéleven)

In deze zaak besluit het EHRM dat de uitwijzing naar Irak van een Soenniet uit Irak na een strafrechtelijke veroordeling in Roemenië voor aan terrorisme gerelateerde feiten artikel 2 of artikel 3 EVRM niet zou schenden. Artikel 13 EVRM is wel geschonden omdat de beschikbare beroepen in Roemenië geen schorsend effect hadden.

 

Feiten: uitwijzing naar Irak na veroordeling voor aan terrorisme gerelateerde feiten

 

De verzoeker, een Iraakse Soenniet, verblijft sinds 1994 in Roemenië (met onderbrekingen) en is de vader van drie Roemeense kinderen. Hij is intussen van zijn Roemeense vrouw gescheiden. Na twee veroordelingen wegens mensensmokkel is hij in 2016 in een derde zaak definitief veroordeeld tot 3,5 jaar gevangenis. Die zaak betrof zijn hulp aan de binnenkomst van Irakezen verbonden aan Al-Qaeda op het Roemeense grondgebied. Hij krijgt een uitwijzing met inreisverbod van 5 jaar als bijkomende straf. Nadat de gevangenisstraf uitgezeten is, wordt verzoeker in administratieve detentie geplaatst in afwachting van de uitzetting. Voor de Roemeense rechtbanken betwist hij deze maatregel, zowel via een beroep tegen de tenuitvoerlegging van de uitwijzing, als via een asielaanvraag. In september 2017 vraagt het EHRM de Roemeense overheid om hem niet te repatriëren gedurende de procedure, als voorlopige maatregel (art. 39 van het procedurereglement).

 

Voor het EHRM beweert de verzoeker dat zijn uitwijzing naar Irak zowel artikel 3 (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) als artikel 8 (recht op gezins- en privéleven) EVRM zou schenden.

 

Geen schending van artikel 3 EVRM: geen aanwijzing nieuwe rechtszaak in Irak

 

Uit talrijke rapporten van internationale organisaties en NGO’s blijkt dat verdachten van terrorisme in Irak regelmatig aan foltering of onmenselijke behandelingen worden blootgesteld, en dat de overheid de doodstraf gebruikt als represaille. Iraakse soennieten worden door de Iraakse autoriteiten vaak gepercipieerd als potentiële bondgenoten van terrorisme. Volgens de verzoeker, maakt zijn veroordeling in Roemenië het risico op mishandeling in Irak ernstig, rekening houdend met de algemene landeninformatie. Het EHRM is van oordeel dat concrete bewijzen over de individuele situatie van verzoeker ontbreken en dat er een onvoldoende rechtstreekse band bestaat tussen zijn veroordeling in Roemenië en het risico op mishandeling in Irak.

 

Het EHRM merkt op dat de fundamentele gebreken van het Iraakse rechtssysteem vastgesteld zijn in het kader van strafrechtelijke procedures van verdachten van terroristische activiteiten in Irak zelf, in het bijzonder in het kader van het conflict tussen Daesh en de Iraakse autoriteiten en hun bondgenoten. Volgens het EHRM zijn de feiten die tot zijn veroordeling in Roemenië geleid hebben niet in Irak gebeurd. Die feiten zijn ook “niet rechtstreeks gebonden aan terrorisme” (“n’ont pas de lien direct avec le terrorisme”, § 70) in die zin dat verzoeker nooit zelf verdacht is van het plegen van daden van terroristische aard noch in Irak noch in Roemenië. Hij is veroordeeld omdat hij de binnenkomst in Roemenië heeft vergemakkelijkt van mensen die bij terroristische activiteiten betrokken zijn. De Roemeense autoriteiten beweren dat het risico op mishandeling niet ernstig is omdat er geen uitleveringsprocedure bestaat op vraag van Irak en dat een nieuwe rechtszaak voor dezelfde feiten in Irak uitgesloten is omdat de Iraakse autoriteiten het principe non bis in idem toepassen.

 

Het EHRM volgt deze redenering volledig: de verzoeker heeft niet bewezen dat het principe non bis in idem in Irak in de praktijk niet zou worden nageleefd. Zijn soennitische overtuiging verandert de beoordeling niet. Volgens het EHRM lijkt de verzoeker normale betrekkingen te onderhouden met zijn herkomstland, zoals aangetoond door twee elementen. Ten eerste, heeft hij op zijn aanvraag een attest van de Iraakse ambassade gekregen waaruit blijkt dat hij noch gezocht noch vervolgd werd in Irak en dat hij niet in verband werd gebracht met militaire of terroristische groeperingen (dit was trouwens in 2014 in het kader van zijn verdediging in de strafzaak, dus voor de veroordeling). Ten tweede heeft de Iraakse overheid hem twee keer een laissez-passer afgeleverd, reisdocumenten die geen bijzondere formaliteiten eisen.

 

Op basis van die elementen besluit het EHRM dat er geen reëel risico bestaat dat hij een nieuwe rechtszaak en een nieuwe straf in Irak zou moeten ondergaan. Noch artikel 2 noch artikel 3 EVRM zouden geschonden zijn bij zijn terugkeer naar Irak.  

 

Grief artikel 8 EVRM onontvankelijk: correcte belangenafweging door de Roemeense rechtbanken

 

In verband met het recht op gezins- en privéleven van de verzoeker noteert het EHRM dat de moeder van de kinderen het hoederecht had sinds hun echtscheiding. Hun bezoek bij hem toen hij in administratieve detentie was is volgens het EHRM niet doorslaggevend. Het verblijf van zijn moeder en broers in Roemenië wordt ook niet beschouwd als een sterk argument, bij gebrek aan bewijs van een afhankelijkheidsrelatie. In casu is de duur van het inreisverbod (5 jaar) niet buiten proportie, rekening houdend met de strafbare feiten. Opmerkelijk hier is dat het EHRM die feiten bijzonder ernstig vindt, precies omdat ze aan het terrorisme gebonden zijn (“l’infraction commise (…) avait une gravité particulière, puisqu’elle était liée à des faits de terrorisme”, § 89[1]). Het EHRM ziet dus geen reden om de beoordeling van de Roemeense rechtbanken te herzien en verklaart de grief van verzoeker op vlak van artikel 8 EVRM (recht op  gezins-en privéleven) onontvankelijk.

 

Schending artikel 13 EVRM: beroep zonder schorsende werking

 

Volgens artikel 13 EVRM moeten de staten elke verdedigbare grief gebaseerd op het EVRM onderzoeken en een adequaat herstel voorzien. Het EHRM herhaalt dat de grief waarbij de uitwijzing van een verzoeker artikel 2 of 3 EVRM zou schenden noodzakelijkerwijze het voorwerp moet zijn van een grondige controle door een nationale instantie. Ook al is de klacht niet gegrond, toch blijft de klacht van verzoeker op basis van artikel 2 en 3 EVRM wel verdedigbaar in de zin van artikel 13 EVRM. De beweringen van verzoeker maken een onderzoek van juridische en feitelijke kwesties nodig (§122). De effectiviteit van dat beroep krachtens artikel 13 EVRM vereist dat het van rechtswege opschorsend is. In casu merkt het EHRM op dat noch het beroep tegen de tenuitvoerlegging van de uitwijzing noch de asielaanvraag een schorsende werking met zich meebracht onder het Roemeense recht. De verzoeker werd in de feiten niet effectief uitgewezen voor de uitspraken, omdat er voorlopige maatregelen werden genomen door het EHRM zelf op basis van artikel 39 van het procedurereglement. Artikel 13 juncto 2 en 3 EVRM is dus geschonden.




[1] Te vergelijken met § 70 bij de beoordeling van het risico op schending artikel 3 waarin het EHRM stelt dat er geen rechtstreekse band is tussen de Roemeense veroordeling en terrorisme. De band bestaat maar is niet rechtsreeks. Hoewel het verschil tussen beide bepalingen opvalt, is het geen contradictio in terminis in de letterlijke zin van deze uitdrukking. (Nota M.B.).