Europees Hof voor de Rechten van de Mens
25244/18
(N.A. t. Finland) Schending art. 2 (recht op leven) en 3 EVRM (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) – Soennitische Irakees vermoord na terugkeer – weigering asielaanvraag na twee levensbedreigende incidenten – geen adequaat onderzoek – terugkeer niet echt vrijwillig

In deze zaak veroordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens Finland voor een schending van het recht op leven (artikel 2 EVRM) en verbod op foltering (artikel 3 EVRM). Een Iraaks onderdaan werd na een terugkeer naar Irak gedood. Het EHRM stelt dat de Finse autoriteiten bepaalde feiten die van belang waren in het verzoek om internationale bescherming niet voldoende hadden onderzocht. Het EHRM kent een morele schadevergoeding van 20.000 euro toe.

 

Feiten:  Iraakse man stemt na afgewezen asielaanvraag in met vrijwillige terugkeer en wordt kort na aankomst in Irak gedood

 

De verzoekster in de zaak is de dochter van de overleden Iraakse man, die in december 2017 vermoord werd, nadat hij was teruggekeerd naar Irak. Haar vader was de enige ambtenaar met een soennitische achtergrond in dienst bij de generaal-inspectie van het Iraakse ministerie van Binnenlandse zaken. Begin 2015 had hij ruzie met een collega, vermoedelijk lid van een Shia militie, van wie hij doodsbedreigingen ontving. Na dat incident wordt die collega in een andere veiligheidsdienst gepromoveerd. In februari 2015 wordt zijn auto geviseerd met vuurschoten als hij met zijn chauffeur de inspectiedienst verlaat. Na die eerste poging tot moord vindt een tweede in april 2015 plaats. Een bom ontploft in zijn auto een paar minuten nadat hij het voertuig met zijn vrouw verlaat. Hij verlaat Irak in augustus 2015 met zijn zoon en dochter en dient in september een asielaanvraag in Finland in. Een jaar later (september 2017) wordt zijn asielaanvraag definitief geweigerd door de Finse beroepsinstantie. In oktober 2017 aanvaardt hij om “vrijwillig” naar Irak terug te keren met de financiële steun van IOM (Internationale Organisatie voor Migratie). Op 29 november gaat hij effectief naar Irak terug. Op 2 december verneemt zijn dochter dat het appartement dat haar vader vroeger als schuilplaats gebruikte, is aangevallen. Sindsdien kon de verzoekster haar familie in Irak niet meer bereiken. Later in december 2017 verneemt ze van een buur dat haar vader door onbekende personen doodgeschoten is.

 

Voor het EHRM beweert de verzoekster dat Finland zowel artikel 2 (recht op leven) als artikel 3 (verbod op foltering en onmenselijke en vernederende behandeling) EVRM heeft geschonden door haar vader naar Irak te hebben uitgewezen. Ze vraagt ook een aparte veroordeling op basis van artikel 3 EVRM voor haar persoonlijke morele schade, die een onmenselijke behandeling zou uitmaken. 

 

Ontvankelijkheid: de terugkeer was niet “vrijwillig”, Finland blijft verantwoordelijk

 

Volgens de Finse regering valt de dood van de vader van verzoekster buiten de rechtsmacht van Finland omdat hij vrijwillig naar Irak is teruggekeerd. Samen met zijn aanvraag tot gesteunde vrijwillig terugkeer aan IOM heeft hij een document ondertekend waarbij geen agentschap of overheid aansprakelijk kan zijn voor deelname aan zijn vrijwillige terugkeer. Het EHRM veegt dat argument van tafel verwijzend naar een vergelijkbare zaak waarbij België veroordeeld is[1] (M.S. t. België, nr. 50012/08, 31 januari 2012, § 123-125). Haar vader stond voor het volgende dilemma: ofwel in Finland blijven zonder enige hoop op wettig verblijf, administratieve detentie, inreisverbod van 2 jaar en gedwongen terugkeer met extra aandacht van de Iraakse autoriteiten bij aankomst als gevolg, ofwel “vrijwillig” naar Irak terugkeren met het risico op mishandeling na aankomst. In deze omstandigheden is het EHRM van oordeel dat de vader van verzoekster geen echte vrije keuze had tussen deze opties. Hij zou immers niet naar Irak zijn teruggekeerd indien er geen uitvoerbare verwijderingsbeslissing tegen hem was genomen. Het EHRM herhaalt dat artikel 2 en 3 EVRM kernbepalingen zijn in democratische samenlevingen waarvoor geen uitzondering of vrijstelling bestaat, ook in uitzonderlijke situaties die onder artikel 15 EVRM vallen. Kan men afstand doen van zijn eigen recht op leven of van het folteringsverbod? Het EHRM geeft geen antwoord in abstracto op deze bijna filosofische vraag. Zonder zich dus uit te spreken over de vraag of afstand kan worden gedaan van de in artikelen 2 en 3 gewaarborgde rechten, merkt het EHRM wel op dat, om effectief te zijn in het kader van het EVRM, een eventuele afstand verenigbaar moet zijn met de doelen van het EVRM, het resultaat moet zijn van de echte en ondubbelzinnige wil van de betrokkene en samengaan met gepaste waarborgen. In casu stelt het EHRM vast dat de betrokkene geen echte vrije keuze had en dat zijn eventuele afstand ongeldig is. Daarom moet zijn terugkeer naar Irak als een gedwongen terugkeer beschouwd worden. Volgens het EHRM is de verantwoordelijkheid van de Finse staat dus helemaal niet buitenspel (§ 59-60).

 

Schending artikel 2 en 3 EVRM voor de dood van de vader: inadequaat onderzoek van de asielaanvraag

 

Vooreerst ziet het EHRM geen reden om te twijfelen aan de dood van man, louter omdat enkel fotokopieën en geen originele versie van de overlijdensakte en van het politieverslag neergelegd zijn, zoals gesuggereerd door de Finse regering.

 

Volgens het EHRM is de vader van verzoekster uitgewezen na een te oppervlakkig onderzoek van zijn asielaanvraag. Op geen enkel vlak wordt de geloofwaardigheid van zijn verhaal door de Finse asielinstanties in vraag gesteld. Het EHRM herhaalt dat bepaalde factoren op zich (zoals sektarische spanningen tussen soennieten en sjiieten in Irak, het beroep, de veiligheidssituatie in Bagdad…) niet noodzakelijk tot de conclusie zou leiden dat een reëel risico op mishandeling bestaat als ze apart worden beschouwd. Maar die zelfde factoren kunnen wel tot een risico op schending van artikel 3 EVRM leiden als ze samen worden onderzocht, zeker in een context van algemeen geweld en verontrustende veiligheidssituatie. In dergelijke omstandigheden is een cumulatief onderzoek wel nodig maar de Finse instanties hebben dat nagelaten te doen.

 

Het EHRM stelt bovendien dat de nationale instanties niet voldoende gewicht hebben gehecht aan incidenten uit het verleden en de aanslagen waaraan de man tweemaal was ontsnapt. Aan de ene kant was er het incident met de sjiitische collega, die doodsbedreigingen uitte, wat de Finse asielinstanties als een pure ruzie beschouwden, zonder rekening te houden met hun respectievelijke religieuze overtuigingen. Aan de andere kant werden de twee pogingen tot moord uitsluitend bekeken in de algemene context van geweld in Bagdad zonder te overwegen of hij persoonlijk was geviseerd. De Finse asielinstanties hielden dus niet voldoende rekening met de in het verleden ondergane vervolging. In die context herhaalt het EHRM dat in het verleden ondergane vervolging relevant kan zijn in de beoordeling van het risico op toekomstige vervolging.

 

Het EHRM oordeelt dat er geen afdoende onderzoek is gebeurd in het licht van artikel 2 en 3 EVRM en dat Finland haar verplichtingen onder het EVRM heeft geschonden.

 

Geen schending artikel 3 EVRM voor de dochter: eigen emotionele stress niet ernstig genoeg

 

De verzoekster krijgt geen extra vergoeding voor zichzelf op basis van artikel 3 EVRM. Volgens het EHRM kan dit enkel als de verwant een aparte schade kan aantonen los van de emotionele stress die gepaard gaat met de schending van de grondrechten en de dood van haar vader. Het EHRM stelt vast dat ze een 23 jarige gehuwde vrouw is, met 2 kinderen en dat ze niet samen woonde met haar vader. Ze is gedurende 15 dagen onwetend gebleven over het lot van haar vader. Samen vormen die omstandigheden geen aparte schade volgens het EHRM.




[1] In die zaak was de verzoeker ook « vrijwillig » naar Irak teruggekeerd en mishandeld maar niet vermoord.