Europees Hof voor de Rechten van de Mens
140/10
(Trabelsi t. België) Artikel 3 EVRM – verbod van onmenselijke en vernederende behandeling – uitlevering – levenslange gevangenisstraf – nood aan mogelijkheid vervroegde invrijheidsstelling – schending – artikel 34 EVRM – individueel klachtrecht – niet-naleven voorlopige maatregel – schending

De zaak draait rond de uitlevering van Nizar Trabelsi van België naar de Verenigde Staten. In 2003 werd Trabelsi veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar wegens het plannen van een terroristische aanslag voor Al-Qaida gericht op de militaire basis van Kleine Brogel. Aangezien hij tevens verdacht werd een terroristische aanslag te plannen op de Amerikaanse ambassade in Parijs, verzochten de Verenigde Staten in april 2008 zijn uitlevering. De Amerikaanse autoriteiten gaven diplomatieke garanties dat Trabelsi niet veroordeeld zou worden tot de doodstraf, dat hij voor een gewone rechtbank gebracht zou worden en dat hij zou opgesloten worden in het gewone gevangenissysteem. Het uitleveringsverzoek werd ingewilligd door de Minister van Justitie in november 2011. Nadat de ministeriële uitleveringsbeslissing werd betekend aan Trabelsi, verkreeg hij op 6 december 2011 een voorlopige maatregel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat deze beslissing niet uitgevoerd mocht worden in afwachting van de behandeling van de zaak door het Hof. Driemaal verzocht de Belgische staat het Hof vergeefs om deze voorlopige maatregel op te heffen. Nadat de Raad van State in september 2013 het annulatieberoep van Trabelsi verwierp, werd hij op 3 oktober 2013 uitgeleverd aan de Verenigde Staten.

 

Risico op levenslange gevangenisstraf

 

In de zaak Vinter e.a. t. het Verenigd Koninkrijk (EHRM (Grote Kamer) 9 juli 2013, nr. 66063/09, 130/10 en 3896/10) had de Grote Kamer van het Europees Hof beslist dat artikel 3 EVRM (het verbod van onmenselijke of vernederende behandeling) vereist dat er een mechanisme moet bestaan op basis waarvan nationale autoriteiten kunnen beslissen of een tot levenslang veroordeelde dergelijke vooruitgang heeft gemaakt en dergelijke stappen richting rehabilitatie heeft gezet, dat verdere vrijheidsberoving niet langer een legitieme penologische grondslag heeft. Levenslange gevangenisstraf is dus op zich niet onverenigbaar met artikel 3 EVRM, maar er moet wel een procedure voorzien zijn waarin beslist kan worden over mogelijke vervroegde vrijlating. In lijn met het arrest Vinter klaagt Trabelsi het feit dat uitlevering aan de Verenigde Staten hem zou blootstellen aan het risico om veroordeeld te worden tot een levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid om vervroegd vrij te komen.

 

Volgens het Hof geldt het arrest-Vinter tevens in de context van een uitlevering of uitwijzing: artikel 3 EVRM verzet zich tegen de verwijdering van een persoon naar een land waar hij of zij risico loopt om veroordeeld te worden tot een gevangenisstraf zonder mogelijkheid van vervroegde invrijheidsstelling. In de Verenigde Staten kan een levenslange gevangenisstraf slechts gereduceerd worden in geval van substantiële medewerking van de gevangene aan het onderzoek naar of de vervolging van een derde, of in geval van dwingende humanitaire redenen. Bovendien kunnen gevangenen ook een verzoek indienen bij de President om een presidentieel pardon te bekomen of een omzetting van hun straf. Volgens het Hof zijn deze mogelijkheden evenwel niet voldoende, omdat geen van deze procedures voorzien dat beslissingen tot vervroegde invrijheidsstelling genomen worden op basis van objectieve, op voorhand bepaalde criteria waarvan de gevangene kennis had op het moment van zijn veroordeling. Daarom kan de levenslange gevangenisstraf waartoe Trabelsi veroordeeld kan worden niet beschouwd worden als ‘reduceerbaar’ in de zin van het arrest-Vinter. De uitlevering van Trabelsi aan de Verenigde Staten was maakte dus een schending uit van artikel 3 EVRM.

 

Niet-naleven voorlopige maatregel

 

België wordt tevens veroordeeld wegens een schending van artikel 34 EVRM (het individueel klachtrecht) omwille van het niet-naleven van de voorlopige maatregel van het Europees Hof. Volgens het Hof had de Belgische staat doelbewust en onomkeerbaar het beschermingsniveau van artikel 3 EVRM verlaagd. De uitlevering had als resultaat dat elke voor de verzoeker gunstige uitspraak zinloos zou zijn, aangezien hij zich reeds in een land bevond dat geen partij was bij het EVRM. Het Hof verwerpt tevens het argument van de Belgische staat dat de Amerikaanse diplomatieke garanties het niet-naleven van de voorlopige maatregel rechtvaardigden. Volgens het Hof was het immers niet aan de Belgische staat om zichzelf in het plaats van het Hof te stellen bij de beoordeling van deze garanties en van de gegrondheid van het verzoekschrift.